OP TE HALEN: Oosthoek's Encyclopedie 17dln|1947-1957 4e druk€ 1,00
De zoektocht van Elckerlyc - Roman|Dirk Vansina
€ 10,00
Ophalen of Verzenden
Verzenden voor € 4,78
210sinds 30 dec. '24, 11:37
Kenmerken
ConditieZo goed als nieuw
AchtergrondKunst en Cultuur
Jaar (oorspr.)1965
Auteurzie beschrijving
Beschrijving
||boek: De zoektocht van Elckerlyc - Roman|Scheppende Werk - Vierde deel (Eerste tot Vierde Boek)|De Zilverberk|Standaard Boekhandel
||door: Dirk Vansina
||taal: nl
||jaar: 1965
||druk: ?
||pag.: 435p
||opm.: hardcover|zo goed als nieuw
||isbn: N/A
||code: 1:001647
--- Over het boek (foto 1): De zoektocht van Elckerlyc - Roman ---
1914-1918 in de spiegel van de Vlaamse letterkunde
Welke sporen heeft de eerste wereldoorlog in onze letterkunde nagelaten? Stippen we vooreerst aan dat bij elke schrijver, die toentertijd aan het woord was of in de naoorlogse jaren debuteerde, iets is te vinken dat op de oorlog betrekking heeft. Het is niet onze bedoeling een lijst van deze geschriften aan te leggen. Trouwens, de beschikbare plaatsruimte laat dit niet toe en legt ons beperkingen op. We houden ons dan aan de auteurs die, ofwel als soldaat rechtstreeks bij de gebeurtenissen waren betrokken, ofwel als ooggetuige een en ander hebben meegemaakt, ofwel zeer nauwe contacten met onze jongens hebben gehad.
Hoe hebben de veldslagen en de stellingoorlog zich in onze letteren gereflecteerd? Jammer genoeg heeft geen enkel schrijver ons het epos gegeven dat door ons leger werd beleefd. Evenmin is er een die, op overtuigende wijze, de evolutie in de geest en in het gemoed van de toenmalige jeugd heeft uitgebeeld.
Voor de studenten was de sprong nochtans groot van de burgerlijke voldaanheid van 'la belle époque' naar het inferno van de loopgraven, van de gemoedelijke engheid van het Vlaams provincialisme naar de wereldomvattende visie die ze tijdens hun verloven in Frankrijk, maar vooral in Engeland gingen ontdekken. Ook in eigen land kwamen zij in betrekking met soldaten uit alle werelddelen. Wie zal de lijst opmaken van de volkeren die, op Vlaamse bodem, hun bloedtol aan de geallieerden hebben afgedragen? Bij hun ontmoetingen met Afrikanen en Aziaten, Australiërs en Amerikanen gingen de ontwikkelde Vlamingen zich wereldburgers gevoelen en in Londen en Parijs waren zij niet in den vreemde. In de geschriften van onze debuterende auteurs is evenmin iets te merken van het socialistisch ferment, dat in Frankrijk en Duitsland doorwerkte en in Rusland tot de omwenteling en de oprichting van de eerste communistische staat heeft gevoerd.
Indien we onze oorlogsletterkunde overschouwen moeten we wel bekennen dat de oogst niet bijster groot is. Hij valt echter niet te misachten. Naast het uitmuntend proza van drie germanisten: Claes, de Pillecyn en de Backer zijn er héél wat documentaire geschriften, die op een behoorlijk peil staan. Wat onze frontdichters betreft: hebben zij geen vormvernieuwing gebracht, zo hebben zij nieuwe thema's aangesneden en verzen van blijvende waarde geschreven. Het is daarbij opvallend dat ook middelmatige literatuur uit die jaren een aksent heeft van oprechtheid en zuivere menselijkheid, zodat zij eveneens tot een ontroerende getuigenis werd van de wijze, waarop het Vlaams gemoed de onmenselijke toestanden van de oorlog heeft ondergaan.
Wanneer Duitsland België binnenviel was de verontwaardiging algemeen. Talrijke verzen werden er door geïnspireerd. De atmosfeer van de eerste dag van de oorlog vindt men terug in een gedicht van pater Fleerackers waaraan wij volgende strofe ontlenen:
Klaroenen schetteren; mensen lopen;
in de nacht al de deuren gaan open:
Wat is er trompetter? Wat is er op hand?
Te weer en te wapen! 't Is oorlog in 't land!
Op burgers en boeren, poorters en pachters!
Klaroen! Klaroen! Klaroen!
't Is om het land en de vrijheid te doen!
Te Luik vielen de forten na een bewonderenswaardige weerstand. Nabij Haelen werd een sterke afdeling Duitse ruiterij door Belgische lanciers en karabiniers verslagen. In het nabije Loxbergen was de Limburgse dichter August Cuppens pastoor. Het wapenfeit inspireerde hem tot een geslaagde ballade: 'De slag der zilveren helmen', die nochtans nergens het peil van goede volkspoëzie overschrijdt.
De belegering en de val van Namen werd meegemaakt door Ernest Claes die er werd gekwetst. Zijn uitzonderlijke gaven laten zich reeds gelden in de reeks verhalen, die hij bundelde in 'Oorlogsnovellen'. Dit boek zet in met een ontroerend opstel 'Aan mijn moeder' dat als motto draagt: 'Deze tijd is de tijd van het grote moederlijden', waardoor van meet af aan het onmenselijke van de oorlog aan de kaak werd gesteld. Claes ondergaat de oorlog zoals de volksmens van het platteland hem ondergaat: als een ontzettende ramp die de gezinnen uiteenrukt, de zonen aan hun ouders ontrooft, de velden verwoest, de hofsteden met stallen en schuren in de vlammen laat opgaan. Hij is wars van de grote woorden van Recht en Eer waaraan de stedelingen en... de gelegenheidsdichters zich beroezen. Het hoogtepunt van de bundel is ongetwijfeld 'Van een schamel moederken', een novelle van een even schrijnende menselijkheid als een beeld van Käte Kollwitz.
Namen 14, waarin Claes zijn eigen vreselijk wedervaren verhaalt, is een groot boek geworden dat in de wereld-letterkunde thuis hoort. Men moet een edel mens zijn om over zichzelf te spreken zonder een zweem van aanstellerij; men moet een prozaïst van formaat zijn om het beleefde op zulkdanige wijze te verwoorden dat de lezer het in zijn volle intensiteit navoelt.
Een even groot meesterschap betoont Filip de Pillecyn in De Rit, het verhaal van een patrouilletocht tijdens de uren dat de Duitse stortvloed Brabant overspoelde; een verkenning die de schrijver niet heeft meegemaakt, doch die zo overtuigend is geschreven dat ze haast al de kenmerken van het zelfbeleefde vertoont.
De terugtocht van het veldleger op de vesting Antwerpen, de uitvallen, de belegering en de beschieting van de forten en van de stad, de aftocht van het leger, die eindigen zal aan de IJzer, zijn gebeurtenissen die geen felle weerklank in onze literatuur hebben gewekt, tenzij in de sterk realistische roman van J. Schoup: In Vlaanderen heb ik gedood.
Tijdens de eerste weken van de oorlog hadden talrijke vrijwilligers zich gemeld en werden de recruten van de lichting 14 binnengeroepen. Fritz Francken, die tot deze laatsten behoorde, verhaalt hiervan in: Uit mijn soldatentijd, een boekje zonder literaire pretentie. Wij kunnen de slag aan de IJzer niet naleven door de lectuur van een letterkundige herschepping, maar hij werd met nauwkeurigheid beschreven door een man uit de streek die hem als soldaat meemaakte. De IJzerslag 14 door Marcel Senesael is vermoedelijk het betrouwbaarste document dat, in welke taal ook, over deze historische gebeurtenis werd gepubliceerd.
Evenals voor Claes in de omgeving van Namen, waren voor Cyriel Verschaeve, toenmaals kapelaan in het Veurne-Ambacht, de vluchtelingen de voorlopers van de naderende oorlog, die in de nacht van 15 tot 16 oktober de IJzer bereikte. Reeds twee dagen later moet hij een terdood veroordeeld soldaat bijstaan en de fusillering bijwonen. Hij beschrijft dit in het oorlogsdagboek dat hij bij de aanvang van de oorlog is gaan bijhouden. Dit dagboek dat niet met het oog op publicatie werd geschreven bevat menige aangrijpende bladzijde en blijft een onmisbaar document voor de geschiedschrijver, die de geestesgesteldheid van de soldaten tijdens de eerste oorlogsjaren wil begrijpen. Vanzelfsprekend is het een even onmisbaar stuk voor de kennis van de dichter-denker.
Het gaafste hoofdstuk uit het Oorlogsdagboek is wellicht 'Een nacht in de kerk' waarin hij de heilige dood verhaalt van een eenvoudige boerenjongen die als zwaargekwetst soldaat in zijn kerk werd neergelegd. Wanneer de slag is geluwd en de aanvalsoorlog in een stellingsoorlog is vastgelopen, kreeg Verschaeve de gelegenheid om de achterste stellingen van het front te bezoeken. Hij maakt de zeer pertinente opmerking dat de soldaten nog slechts dienst doen als schietschijf voor de kanonnen en roept uit: 'Is me dat een slagveld? Geslagen, gevochten wordt er niet; dit is een kerkhof, waar levenden in graven de dood afwachten'.
Verschaeve, die met de soldaten is gaan meeleven, heeft voor hen liederen gedicht, die doorgaans al te stug en stroef zijn uitgevallen. Zo dit Lied van het slijk:
Wij staan hier besprenkeld, bespat,
van 't hoofd tot de voeten vol moore,
wij liggen beklijsterd, beklad
als slijk zijn wij, achter en voren.
Doch Duitsland mag weten en 't weet het
en nimmer vergeet het
dat bij ons het slijk op de kleren slechts viel
bij hem op zijn ziel.
Wie het leven op het front heeft meegemaakt zal er zich over verbazen dat, in de gegeven omstandigheden, nog enige intellectuele inspanning mogelijk is geweest. Voor een debutant, die daarbij in het Nederlands wou schrijven, waren de moeilijkheden met de taal niet gering. Op het college had hij immers, zo goed als uitsluitend Frans onderricht genoten en de volksjongens, waarmede hij samenhokte, spraken enkel hun dialect.
Waren boeken schaars, zo waren goede Nederlandse boeken haast onvindbaar. Wanneer hij met verlof ging was hij op Frans of Engels aangewezen. In feite zat de Vlaamse frontdichter ingesloten op een klein taaleiland, zonder contact met een beschaafd-sprekende gemeenschap. Niemand kon hem aanwijzen hoe hij de Franse militaire vaktaal in het Nederlands moest omzetten. De volksjongens wisten het evenmin doch ze schiepen voor eigen gebruik een soort oorlogsbargoens dat door Evermar van Moere in Soldatenleven, een bijdrage tot de oorlogsfolklore van de Vlaamse soldaat, werd vastgelegd. Terecht noteerde hij in zijn inleiding: 'Onze kerels hebben hun oorlogstaal doorzaaid met woorden, spreuken en uitdrukkingen wier frisse oorspronkelijkheid en diepe spontaanheid 't oorlogsleven alleszins aanschouwelijk voorstellen'.
We vinden weinig of geen van bedoelde woordenschat bij de gelegenheidsdichters wier verzen door Jan Bernaerts en Hendrik Heyman werden opgenomen in de in 1916 verschenen verzameling Oorlogspoëzie. Op een enkele uitzondering na werden de afgedrukte gedichten ofwel aan het front, ofwel in het buitenland door aldaar vertoevende Vlamingen geschreven. Bevreemdend mag het heten dat het beste dat we in het boek aantreffen niet is van de hand van dichters met stevig gevestigde faam zoals Constant Eeckels en Karel van den Oever, doch ondertekend zijn door kwasi-onbekenden zoals Hodister, T. de Ridder, A. Nobels, A. van Veerdegem, die echter allen overschaduwd worden door het frisse talent van Fritz Francken.
Tijdens de volgende jaren zal Daan Boens naar voren treden en komen meerdere jongere debutanten aan het woord in de dagbladen: De Belgische Standaard, Ons Vaderland en in het weekblad De Stem uit België. Het ontbrak niet aan verzenschrijvers, doch zoals steeds bleven de waarachtige dichters een zeldzaamheid.
De Westvlaamse priester-dichter Julius Valckenaere (Horand) liet in het onbezette gebied een bundeltje 'Oorlogsgedichten' drukken. Ward Hermans publiceerde achteraf een keur uit zijn bundels: Verzen van Liefde en Strijd. Van de Pillecyn en Jozef Simons verscheen Onder den hiel. De naam van Leo de Naeyer verdient bewaard te blijven omwille van volgend vers, dat bij gelegenheid van het sneuvelen van een studiemakker werd geschreven:
De toekomst lacht u toe mijn vriend, als ooft
dat weeldrig hangt met morgendauw beladen,
in rozig-jonge zon, langsheen de paden
der levensgaard die wonne u had beloofd.
Jong, werkenswaardig, gingt gij slechts één dag
den zonnegouden gaard in van het leven;
met vasten zin, 't hoofd hoog en zonder beven,
de toekomst toe, die voor u lag; en ach
uw handen mochten niet de druiven persen,
die purper-doodrijp hingen, zwaar in tros,
om uwen sterken levensdorst te lesschen.
Het leven hebt ge nauwelijks zien rijpen
en 't ooft bood u alleen den morgenblos.
Toen gingt gij heen, voor ge de vrucht mocht grijpen.
De dood van medestrijders heeft menig dichter geïnspireerd tot een vers van blijvende waarde. We denken hierbij aan enkele strofen van Fritz Francken, maar vooral aan Na den aanval van Franz de Backer en aan het in zijn grote eenvoud zo ontroerend gedicht van de prins der Vlaamse frontdichters: August van Cauwelaert dat zo prachtig inzet met de versregels:
Hij sloeg zijne armen op en sloot
zijne ogen op het licht der dagen...
wie zal zijne arme moeder dragen
de droeve mare van zijn dood?
Het sneuvelen van de studentenleider Firmin Deprez heeft Verschaeve geïnspireerd tot een sonnet dat krachtig inzet met:
Zijn wil was zijn beitel om staag te houwen
zijn beeld scherp van lijnen en manlijk schoon,
opdat het eens staan mocht voor Godes troon
en trotsen de scherpte van 't godd'lijk schouwen.
Hij heeft de Vlaamse doden voor Vlaanderen opgeëist in het lapidaire vers dat mondgemeen is geworden:
Hier liggen hun lijken als zaden in 't zand
Hoop op den oogst, o Vlaanderland.
De Grafrijmpjes van aalmoezenier R.V. Mortier werden op duizenden eksemplaren verspreid. Men kan ze bezwaarlijk tot de poëzie rekenen; het zijn inderdaad slechts rijmpjes, maar een grafschrift als het volgende voor een soldaat die verdronk is wel pittig:
Vroeger of later
Gene door 't vuur, deze door 't water.
Niet enkel aan het front stierven de jongens. Er werden graven gedolven in de omgeving van de krijgshospitalen; er werden er eveneens gegraven in deze van de Franse gevangenissen waarin de veroordeelde IJzerjongens roemloos crepeerden; er werden er eveneens gedolven aan de paradijselijke Azurenkust voor de teringlijders die er bezweken. Dr. Albert van Driessche, die er als arts dienst deed, gaf op diep-ontroerende wijze getuigenis van wat hij heeft meegemaakt in Het glorieloze Lot.
Met stoïcijnse moed zag Filip de Pillecyn de dreigende dood tegemoet in een regel die veel gelijkenis vertoont met de aanvangsregel van het bekende gedicht van de Engelse dichter Rupert Brooke: 'If I should die, think only this of me': - 'Wanneer ik vallen moest, denk dan alleen dat uit mijn woord'... enz., doch dat niettemin zijn grote waarde behoudt en tot het beste behoort van wat aan het front werd gedicht.
De religieuze gelatenheid van de dulder, de christelijke overgave aan Gods wil werd door Hilarion Thans énigmooi verwoord:
Nietwaar, wij zullen het dragen,
mijn ziel, in trouw geduld
en zonder wondrend vragen
waarom nu al onze dagen
kwamen in rouw gehuld.
De minderbroeder-verpleger bad toen eveneens zijn Verplegersgebed:
Geef mij te zien, o Heer, hoe Gij het zijt
die op dit bed, uw kruis ligt, en die lijdt.
dat evenzeer van zijn dichterschap als van zijn vroomheid getuigenis aflegt.
Evenals Hilarion Thans had August van Cauwelaert reeds vóór de oorlog gedebuteerd. Hij was bij van de Woestijne en Boutens in de leer geweest en beschikte over een benijdenswaardig fijn taalgevoel. De Liederen van Droom en Daad, die hij schreef nadat hij levensgevaarlijk werd gewond, zijn ongetwijfeld het hoogtepunt van onze oorlogspoëzie. Naast de letterkundige gaafheid treft men er de zieleadel aan, die zo kenschetsend was voor de idealistische Vlamingen, die zich voor de verbeestelijking van het frontleven wisten te behoeden. Haast al zijn verzen verdienen te worden aangehaald. Wij kunnen de lezer slechts aanzetten ze in zijn bundel na te lezen.
De verzenbundels van Fritz Francken en Daan Boens zijn van een heel ander allooi. Fritz Francken heeft iets van de zwier en de losheid van Pol de Mont. Hij charmeert door zijn krachtig ritme en zijn speelse klank, ook dan nog wanneer de inhoud wat mager uitvalt. Hij schrijft àl te gemakkelijk, zodat veel van zijn verzen iets weg hebben van een improvisatie. Aan het front werden ze fel bewonderd. Ze gingen niet diep, maar ze waren de poëtische transpositie van het leven dat aldaar werd geleefd. Wie in de toenmaals gepubliceerde bundels naar zijn gaafste verzen op zoek gaat, raadplege insgelijks zijn in 1959 gepubliceerde bundel Met de ransel op de rug, die talrijke gedichten bevat uit de periode 1914-1918.
De drie dichtbundels van Daan Boens hebben wellicht evenveel documentaire als poëtische waarde, al hebben wij hier ongetwijfeld met een waarachtige dichter te maken. Hij heeft een rijk gemoedsleven en heeft de verdienste een ernstige poging te hebben gedaan om de indrukken uit het loopgravenleven met adekwate woorden en beelden vast te leggen. Gave gedichten zijn bij hem schaars; maar zij zijn er, en af en toe, treft men in de onrijpere gedichten versregels aan die doen opkijken. Ook loopt hij op het humanistisch expressionisme vooruit met de gedichten waarin hij de aspiraties naar een betere wereld vertolkt, zoals in deze regels:
En als gij zien zult hoe nog dàn die ongekenden,
die lieden waarvan geen geschiedenis bestaat,
door eigen kracht 't gebouw der wereldvree volenden
met 't onbegrensd geloof der toekomst op 't gelaat
dan zult gij, man, die broeder zijt van deze stoeren,
gerust zijn in het lot, dat als een gulden dal
zijn goedheid zal langsheen de rots der vrede voeren...
Herhaalde malen werd gepoogd de opmarsj naar de loopgraven in een vers weer te geven. In een der zeldzame gedichten die hij schreef is Anton van de Velde daar het best in geslaagd. Het verdient meer bekendheid.
Allerzielen
Met zware stap, als schimmen in het duister,
een vloek verbijtend, in de kleffe klei verlamd,
gaan ze allen voort. Er is een helse luister
in 't westen en de aarde is moegeramd.
De rug gebogen onder zak en wapen,
de stok geklemd in ruwgeknepen vuist,
en de oude pijp in strakgepeesde koppen,
trekt heel de bende op, vergrauwd, verluisd.
Langsheen het karspoor hier en daar een grafkruis,
dat zwart vlekt op een zode moddergrijs;
daaronder liggen meestal onbekenden,
die haakten naar een eindlijk paradijs.
Terwijl de troep, nog krommer, door de avond
voorbijgaat, keren allen 't stroeve hoofd
naar al die kruisen met een blik vol deernis:
Dié mensen had men komend heil beloofd!
De regen klettert over dode velden
de roffel voor wie naar de voorpost gaan.
De wind giert woest in de verminkte bomen,
die knerpend met hun laatste takken slaan.
Met zware stap, verdampend in het duister,
vergaat de troep. 't Kanon scheurt plots de lucht,
en naar het zuiden keert met vlugge vlerken
een opgeschrikte, zwarte vogelvlucht.
Soldaten gingen af en toe met verlof. Ze beleefden er wel eens amoureuze avonturen. Dergelijke verhalen hebben Fritz Francken en Frans Smits op hun actief. In Mijn Oorlog memoreerde Hilarion Thans, niet zonder humor, zijn omgang met de kameraden.
Op een hoger peil staan de boeken van Karel Elebaers: Lief en leed uit dagen van lijden en Na den Storm. Zij munten uit door fijne opmerkingsgave en zijn vaak pareltjes van schrijfkunst.
Er drong niet veel tot ons door van wat in de Duitse krijgsgevangenkampen werd geschreven. De Verzen van Elegast van Piet van Rossem zijn onpersoonlijk, doch correct en in een verrassend goed Nederlands gesteld. In Bei uns in Deutschland vertelt Ernest Claes op gemoedelijke wijze van de opgedane ervaringen. Hij werd vrij spoedig uitgewisseld tegen Duitse gevangenen en werd over Zwitserland naar Frankrijk gevoerd. Eens over de grens bezint hij zich over de oorlog in Waar is de waarheid? en komt tot de slotsom: 'Ik vind de waarheid in de eenvoud van mijn hart'. Het is ook aldaar dat Edgar Gevaert ze heeft gevonden, nadat hij de afslachting van de IJzerslag had meegemaakt. Hij schreef zijn bedenkingen neer in een persoonlijke archaïsche stijl die aan zijn geschriften een eigenaardige bekoring verleent. Zeer terecht werd In den hof der Liefde door Felix Timmermans en Wiens Moens fel geprezen.
In zijn expressionistisch spel van de oorlog: Nuances heeft de zwaar verminkte Paul de Mont het dwaze en monsterachtige van de oorlog aan de kaak gesteld. Niet het minst in het derde deel waarin een gesneuvelde meent dat slechts doden mensen zijn. Menselijke mensen treft men haast niet aan onder de levenden.
Het bevrijdingsoffensief dat in de herfst van 1918 werd ingezet, betekende het einde van de stellingoorlog. De doorbraak was moordend voor beide partijen. De verliezen aan pelotonchefs - en dat waren toen doorgaans hogeschoolstudenten - waren uitzonderlijk hoog. Frans de Backer die de stormlopen in deze hoedanigheid heeft meegemaakt liet zich hierdoor inspireren bij het schrijven van Longinus. De tragiek van de jonge luitenant die, dag na dag, mensen moet moorden en zijn eigen jongens de dood injagen, werd door de schrijver scherp aangevoeld. Spijt de bezieling waarmede het werd geschreven is het boek sober en beheerst. Realisme en symboliek vullen elkaar aan zonder elkaar te hinderen. Evenals dit met Namen 14 van Claes het geval is, kan men de waarde van Longinus bezwaarlijk overschatten.
De Vlaamse Beweging aan het front inspireerde menig gelegenheidsdichter tot strijdliederen die doorgaans geen behoorlijk peil bereikten. Een enkele maal menen wij er een echo van René de Clercq in te vernemen. Ook aan het front moeten de mannen van Havere (in Le Havre was de Belgische regering gevestigd) het ontgelden. Van Cauwelaert pende een dithyrambe die uitstekend is in haar aard. Het frontlied van Jozef Simons kende succes, al heeft het geen literaire verdienste. Deze zal men niet ontzeggen aan zijn oorlogsroman Als Vlaanderen vergaat dat nochtans niet het epos van de Vlaamse IJzersoldaat is geworden, al heeft de auteur er zichzelf in overtroffen. Hij leest vlot, is in keurig Nederlands gesteld, en de personen zijn net voldoende getypeerd. Men zal hem bij de veredelde volkskunst onderbrengen. Dat eveneens de jeugd van de leidende standen, tot de adel toe, de rangen van het strijdende Vlaanderen moet vervoegen is een thesis die door het verhaal handig wordt geïllustreerd.
Wanneer de legers de frontstreek hadden verlaten bleef daar slechts een puinhoop over, waarin de weergekeerde vluchtelingen zich kwamen nestelen. Een hunner, de niet onbegaafde prozaïst Juul Filiaert schreef een relaas van hun wedervaren in Tiji's oog op de puinhoop.
Juffrouw Belpaire, die tijdens de oorlog in de Panne vertoefde en er oneindig veel heeft gedaan voor de kulturele verheffing van de soldaten, publiceerde achteraf haar gedenkschriften. In De vier wondere Jaren herdenkt zij de kunstenaars en de letterkundigen die ze van naderbij had leren kennen. Dit geeft ons de gelegenheid om enkele namen te vernoemen die in dit overzicht niet mogen ontbreken. Lode van Eyck vooreerst, van wie we krachtig proza mochten lezen en die succesrijke lezingen heeft gehouden, Arthur Coussens, en last not least dr. de Gruyter die weliswaar niet heeft geschreven, doch die het geschreven woord in zijn volle luister heeft gezet.
Volledigheidshalve moet de steller van dit overzicht naar eigen werk verwijzen. Voor wat de eerste oorlogsmaanden betreft naar de laatste delen van 'De Zoektocht van Elckerlyc', voor het leven in de vuurlinie naar 'De Deemstering der Zielen' (meer bepaald naar 'De Daad'), voor de religieuze verdieping in de loopgraven naar de verzenbundel 'Louteringsvuur' en naar het mystiek sinnespel 'De Kroon van Doornen'.
Dirk Vansina [bron: https--www.dbnl.org/tekst/_vla016196401_01/_vla016196401_01_0119.php]
--- Over (foto 2): Dirk Vansina ---
Desiderius Maria Cornelia Ludovicus (Dirk) Vansina (Antwerpen, 25 mei 1894 - Leuven, 16 januari 1967) was een Vlaams schrijver en kunstschilder. Als auteur schreef hij gedichten, essays en toneelwerk. Hij was ook redacteur van verschillende tijdschriften. Hij was een Vlaams katholiek voorman die een rol speelde in de culturele vleugel van de Vlaamse Beweging tijdens het Interbellum.
Dirk Vansina werd op 25 mei 1894 als Desiderius Vansina geboren te Antwerpen. Zijn moeder Maria Theresia van Goubergen hield een kunstborduurwerkatelier in de Keizerstraat te Antwerpen, producent van liturgische gewaden, kerkvanen en grote kunstvlaggen voor verenigingen.
Vansina studeerde handel in het Sint-Jan Berchmanscollege te Antwerpen, met de bedoeling om - gezien hij de enige zoon in het gezin was - het kunstborduurwerkatelier van zijn ouders over te nemen.
Daartoe volgde hij privétekenles bij Samuel De Vriendt, zoon van Juliaan De Vriendt, en volgde hij een opleiding schilderen aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten te Antwerpen in de klas van portretschilder baron Isidoor Opsomer. Daarna studeerde Vansina in Brussel Oosterse en Egyptische kunst.
Dirk Vansina huwde met Suzanna Verellen, samen kregen zij 12 kinderen. Zijn zoon Guido Vansina werd Belgisch ambassadeur. Die zijn zoon, Frederik Vansina, werd generaal bij de Belgische luchtmacht.
Na de Eerste Wereldoorlog werkte hij een tijd in de zaak van zijn ouders tot hij verhuisde naar Gooreind, waar hij een steenbakkerij overnam. In 1930 nam hij in Antwerpen de zaak van zijn ouders over.
Gedurende de oorlog weigerde hij in nationaalsocialistische cultuurorganisaties actief te worden. Hij bleef echter bevriend met priester Cyriel Verschaeve, aan wiens sterfbed hij stond in Solbad Hall (Tirol) in 1949.
Vansina lag aan de basis van tijdschriften zoals De Pelgrim en Volk.
Vansina was redacteur bij diverse culturele bladen waaronder het gezaghebbende "Dietsche Warande en Belfort" waarvan hij na de dood van Jules Persyn een tijd hoofdredacteur was. Hij gaf het kunsttijdschrift "Volk" uit tot het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog.
Dirk Vansina leverde de bindteksten voor enkele IJzerbedevaarten.
Hij was medestichter van de Pelgrimbeweging, het Vlaams Volkstoneel en Pro Deo, een beweging die ijverde voor het behoud van het gewijde karakter in de moderne religieuze kunst in al haar uitingen, van kerkbouw tot illustraties.
In 1965 verscheen zijn vijfdelig Verzameld Werk dat een overzicht geeft van zijn voornaamste werk. Het bevat een selectie bevat van de verzen in verschillende dichtbundels gepubliceerd in de jaren 20 en 30 vanaf Louteringsvuur, ontstaan in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog, die Vansina als oorlogsvrijwilliger meemaakte. Verder bevat het een selectie van toneelstukken die, op het historische Chiëti na, diep religieuze leesdrama's zijn. Vansina beschouwde De sage van Kai-Roi als zijn beste werk op dit gebied.
Zijn belangrijkste werk zijn z'n essays die terecht opgemerkt en hoog gewaardeerd werden.[bron?]
De enige roman die Vansina publiceerde was De zoektocht van Elkerlyc.
Zijn schilderijen, pastels en tekeningen behandelen bij voorkeur religieuze thema's. Het bijzondere Dagboek van het front, uit louter tekeningen bestaand, bleef bewaard als een schrijnend document.
Dat hij als tekenaar talent had, mag blijken uit het feit dat hij op de wereldtentoonstelling van 1930 in Antwerpen een gouden medaille mee naar huis mocht nemen voor een reeks houtskooltekeningen.
Publicaties
Literaire Werken
Essays
Bekroningen
Vansina werd met verschillende eretekens onderscheiden en met prijzen vereerd:
1928 Prijs voor Literatuur van de provincie Antwerpen;
1930 Gouden Medaille voor Schilderkunst op de wereldtentoonstelling te Antwerpen voor zijn houtskooltekeningen;
1955 Prijs Scriptores Catholici voor zijn essay over Pascal;
1957 Eerste Cyriel Verschaeveprijs van het Jozef Lootensfonds voor zijn werk "Verschaeve getuigt" (1956);
1959 Treedt op in het "Aktiecomité ter vrijwaring van de christelijke waardigheid in de religieuze kunst";
1964 Ereteken van Ridder in de Kroonorde op de jaarvergadering van Kunstenaars voor de Jeugd.
[bron: wikipedia]
DIRK VANSINA
Antwerpen, 25 mei 1894 - Leuven, 16 januari 1967
Dubbeltalent: kunstschilder en literator
Dichter van een achttal bundels poëzie, die getuigen van een diepe religiositeit verbonden met de opvatting dat de kunst, dus ook de poëzie, 'zich als tolk van de gemeenschappelijke ziel tot het volk' moet richten.
Redacteur van "Dietsche Warande en Belfort" (1918-1940); Beheerder en redacteur van "De pelgrim (1929-1931); Medestichter van "Volk", maandschrift voor Dietse Kunst en Kultuur (1935-1941)
Promotor was van het Vlaamse Volkstoneel en pelgrimdramaturg bij uitstek, dat de Pelgrim-idee vertolkt met zijn leesdrama's "De deemstering der zielen" en zeker "De Tragedie van God en Mens"
Het hoogtepunt in het oeuvre van Dirk Vansina vormen zijn essays en biografieën. Zijn werken over Pascal (1954), Hölderlin (1963) en Dostojewski (1964) kennen op dat moment in Vlaanderen hun gelijke niet. Een soort magnum opus is de biografie over zijn levenslange vriend Cyriel Verschaeve: "Verschaeve getuigt", dat in 1955 verschijnt in Deel I van Verschaeve's Verzameld Werk, en in 1957 als een zelfstandig boekwerk.
BIOGRAFIE
25 mei 1894: Dirk Vansina werd als Desiderius Vansina geboren te Antwerpen, in een kroostrijk gezin van 12 kinderen. Zijn moeder Maria Theresia van Goubergen hield een internationaal befaamd kunstborduurwerkatelier in de Keizerstraat te Antwerpen, dat gespecialiseerd was in liturgische gewaden, kerkvanen en later ook grote kunstvlaggen voor verenigingen.
Vansina studeerde handel in het Sint-Jan Berchmanscollege te Antwerpen, met de bedoeling om - gezien hij de enige zoon in het gezin was - het kunstborduurwerkatelier van zijn ouders over te nemen.
Bovendien moest hij tekenlessen volgen. Zo kwam hij terecht in het flamingantische milieu van Sam De Vriendt en diens vader 'ere-pelgrim' Juliaan, wat voor zijn verdere leven bepalend zou blijken te zijn.
Hij werd er klaargestoomd voor een opleiding schilderen aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten te Antwerpen in de klas van portretschilder baron Isidoor Opsomer (Lier).
Het werd zijn grote droom om een carrière uit te bouwen als kunstschilder, maar zijn ouders wilden er niet van horen. Dit conflict bracht de jonge Dirk op de rand van een zenuwinzinking en als compromis mocht hij in Brussel Oosterse en Egyptische kunst studeren.
Dat hij als tekenaar best wel talent had, mag blijken uit het feit dat hij op de wereldtentoonstelling van 1930 in Antwerpen een gouden medaille mee naar huis mocht nemen voor een reeks houtskooltekeningen.
1910: Debuteerde met enige gedichten in het vrijzinnige studentenweekblad "Carolus";
"Toen ik 15-16 jaar was, publiceerde ik - gelukkig onder schuilnaam - mijn eerste Rodenbachiaanse verzen over de maagd van Vlaanderen, enfin Rodenbach op zijn allerslechtst. Die verschenen in Carolus, het weekblad der vrijzinnige studenten waar ook Fritz Francken en Paul Kenis aan meewerkten." (J. Florquin, in: Ten huize van... 4 (1968))
WERELDOORLOG I
NA DE EERSTE WERELDOORLOG
1918: Op vraag van Jules Persijn en M.E. Belpaire werd hij redacteur van "Dietsche Warande en Belfort", met de bedoeling het tijdschrift weer op de sporen te krijgen. Hij bleef redacteur tot aan de tweede wereldoorlog.
1918-1924: Het waren de jaren dat Vlaanderen bekend stond in de grote hernieuwing van het (katholiek) toneel en hij een promotor was van het Vlaamse Volkstoneel. Hij was medestichter en lid raad van beheer Vlaams Volkstoneel, maar om 'ethische en esthetische redenen' nam hij samen met Wies Moens in 1925 ontslag;
Vansina publiceert een vierdelig groots opgezet leesdrama "De deemstering der zielen" ('De Dood der Chimera's' (1923), 'Lenore' (1923), 'De Daad'(1924) en 'De Eeuwige Verlossing' (1924))
1920: De bundel "Louteringsvuur" - dat tijdens zijn oorlogsjaren was ontstaan - was, zoals zijn meeste werk, religieus geïnspireerd. Het is een poëzie die getuigt van een bezinning op het leven.
In J. Weisgerber en M. Rutten (redactie), Van Arm Vlaanderen tot De voorstad groeit. De opbloei van de Vlaamse literatuur van Teirlinck-Stijns tot L.P. Boon (1888-1946). Standaard Uitgeverij, Antwerpen 1988, is Prof.L. Gillet niet mals voor de poëzie van Vansina:
De poëzie van Dirk Vansina (1894-1967) is opgeschroefd, in de stijl van C. Verschaeve. Zoals uitgedrukt in Wat wij willen, het 'Ten geleide' bij het eerste nummer van De Pelgrim, wil zij haar wortels slaan in 'het vergoddelijkt leven der ziel in het rumoer der aarde'. (De Pelgrim, 1e jg., nr. 1)
De jonge frontsoldaat Vansina had uit de IJzerloopgraven een bundel poëzie meegebracht: Louteringsvuur (1920), zo mogelijk nog traditioneler van structuur en tammer van uitdrukking dan de oorlogsverzen van A. van Cauwelaert, D. Boens of F. de Pillecyn. Niet alleen waren deze dichters door de vijandelijkheden afgesneden van de beweging van het Duitse expressionisme, blijkbaar waren ook de vernieuwingen van Franse zijde, ingezet met Romains' unanimisme, ongemerkt aan de frontstrijders voorbijgegaan. Vansina's eerste poëzie wordt ontsierd door 'retorisch gezwam' en overspannen beeldspraak, door slecht verteerde, in elk geval niet verwerkte reminiscenties:
O laat mij lijden, God, met hen die smartlijk lijden.
Laat mij doorvoelen wat hun lijdend hart doorstond.
Laat mij met hen Uw dreigende einders tegenschrijden
Met twijfelmoede ziel en drooggeschroeide mond.
--D. Vansina, Vluchtelingen, II, in Scheppend Werk, I, Gooreind-Antwerpen z.j., blz. 13.
Of:
Mijn volk, daar uw nood mijn schoonheidsdroom kwam storen
Werd ik als één die uit de slaap ontwaakt.
--Ibidem, blz. 14.
1929-1931: Beheerder en redacteur "De pelgrim"; (over Het tijdschrift 'De Pelgrim', over De Pelgrimbeweging - Kerknet)
Leverde als pelgrimdramaturg het omvangrijkste werk, dat de Pelgrim-idee vertolkt: de tweede cyclus drama's 'De Tragedie van God en Mens' ('Adam', 'De Messias' en 'De Antichrist')
1931: 'Adam' werd in opgevoerd door de paters Augustijnen te Gent
1933-1935: Fragmenten uit deze trilogie werden voorgedragen door het kunstgezelschap 'Pogen' op zijn rondreizen, onder leiding van Jan Stalmans.
De dramatische kunst van Dirk Vansina schonk toondichter Theo de Joncker inspiratie voor twee partituren voor groot orkest (fragmenten uit 'De Messias' en 'Adam'), die door het orkest van het N.I.R. werden uitgezonden in 1938, 1939, 1940, 1944.
1930: Nam in Antwerpen de zaak van zijn ouders over.
1935: Medestichter van "Volk", maandschrift voor Dietse Kunst en Kultuur, dat in 1941 door de bezetter werd opgedoekt omwille van 'te nationalistisch' en medewerker E. van der Hallen stond bekend als 'te katholiek'.
Werkte een tijd in de zaak van zijn ouders tot hij verhuisde naar Gooreind, waar hij een steenbakkerij overnam.
1938: Publicatie van Het liederboek van Elckerlyc
We laten opnieuw Prof. Gillet aan het woord:
Een diepe religiositeit verbonden met de opvatting dat de kunst, dus ook de poëzie, 'zich als tolk van de gemeenschappelijke ziel tot het volk' moet richten, vindt haar neerslag in Het liederboek van Elckerlyc (1938). Een eigenaardig mengsel van cultuurromantiek en machtsdrang vindt uiting in een zin als: 'Aan de scheppende ziel van zijn dichters en den arm van zijn krijgers dankt een volk zijn bestaan'.
Stug en stroef rijmt Vansina in honderden verzen 'gemeenplaatsen' aan elkaar:
'Gemeenplaats / Al wat ik zal schrijven. / De aarde is oud / En mensen altijd mensen blijven'. Kreten en rijmen van het verdwaasde ik gaan er vooraf aan Liederen van groot verlangen, op hun beurt gevolgd door Geprevelde en gestamelde strofen van het bezonnen ik. Nogmaals mist Vansina hier de scheppingskracht om een overdaad aan gedachteninhoud tot dichtkunst om te vormen.
In latere bundels, Liederen van dwaas begeren (1943), Liefdes getijden (1950), Ontraadselde beelden (1951), slaagt Vansina er een enkele maal in, door meer soberheid en zelfbeperking, ook een juister aanslaan van het reëel menselijk gevoel, een bijna gaaf gedicht te schrijven, niet bedorven door grootspraak, opgestapelde eruditie, uitgestalde belezenheid en, bovenal, verbale ongebreideldheid.
Een zuivre sneeuwvlok het gedicht
Dat op mijn adem zweeft
En van mijn leven leeft.
Ofwel:
Dit is, naakt als een open hand
Het rijk-dooraderd waterland
Van greppels en kanalen.
WERELDOORLOG II: 1940-1945
Gedurende de tweede wereldoorlog weigerde hij in nationaalsocialistische cultuurorganisaties actief te worden.
1940: Filips van Chieti (1940) sluit aan bij de nationalistische rage die de geheroïseerde Gulden-Sporenera verheerlijkt maar mist zowel psychologisch als dramaturgisch en scenisch ver- en uitbeelding, terwijl zelfs de lectuur gehinderd wordt door het oratorische geweld van al deze Übermenschen. (Weisgerber p. 393)
1941: Bij het eerste jaar van W.O. II schreef Vansina weer dramatisch werk, de groots opgezette Bijbelse 'Sage van Kai-Roi', bevattende een 'Voorspel', 'Kaïn's dood' (1941), 'Schilo, het zwaard'(1941) en 'De Ark' (1942).
NA DE OORLOG
Zijn naoorlogse werken zijn van beduidend hogere kwaliteit.
1949: Erg bevriend als hij was met priester Cyriel Verschaeve, stond hij aan wiens sterfbed in Solbad Hall (Tirol).
1951: Met de bundel Ontraadselde Beelden versobert zijn stijl. Hij slaagt erin zichzelf te beperken tot de essentie en de opgestapelde eruditie en verbale ongebreideldheid achterwege te laten. Dat levert hier en daar een redelijk gaaf gedicht op.
Het hoogtepunt in het oeuvre van Dirk Vansina vormen zijn essays en biografieën.
Zijn werken over Pascal (1954), Hölderlin (1963) en Dostojewski (1964) kennen op dat moment in Vlaanderen hun gelijke niet. Vansina lukt het hier om diep in het werk en het wezen van de behandelde kunstenaar door te dringen. In de geest van zijn schilderkunst vat hij zijn geschreven portretten zo op dat de levende mens er uitkomt.
1956: Een soort magnum opus is de biografie over zijn vriend Cyriel Verschaeve: "Verschaeve getuigt", dat in 1955 verschijnt in Deel I van Verschaeve's Verzameld Werk.
Dirk Vansina was trouwens lid van het redactiecomité dat de uitgave van Verschaeve's Verzameld werk verzorgde. Hij zal voor twee delen de inhoud verzorgen:
1955: Toneelwerken door Cyriel Verschaeve, onder toezicht en met een inleiding.
1955: Poëzie van Cyriel Verschaeve, met inleiding en aantekeningen, alsook inleiding tot 'Uren bewondering'.
1959: Onder leiding van Dirk Vansina werd nog een poging ondernomen om de idee van de Pelgrim een nieuw elan te geven in een actiecomité voor de kristelijke waardigheid in de religieuze kunst. (KWRK). In een eerste nummer van een «seizoenenreeks» publiceerde Vansina: «Wat beoogt het aktiekomitee ter vrijwaring van de kristelijke waardigheid in de religieuze kunst?» Deze brochure werd gevolgd door drie andere: «De moderne kristelijke kunst» en «Kerkebouw» door P.J.A. Nuyensen «Kunst en Mystiek» door prof.dr. L. Reypens (1960).
1960: "De zoektocht van Elkerlyc" is zijn enige roman, waar echter ook tal van gedichten in voorkomen.
16 januari 1967: Dirk Vansina overleed te Leuven.
Het archief van Dirk Vansina bevindt zich in het KADOC te Leuven.
Als schilder behandelt hij voornamelijk religieuze thema's: zijn voorbeelden zijn de symbolisten en de prerafaëlieten, vandaar ook zijn voorliefde voor de allegorie, visionaire beeldspraak; Neo-impressionistische werken; Nam meermaals initiatief op het domein van de kunstnijverheid (vlaggen, steenbakkerij); Al met al zijn Vansina's verzen de vrucht van een hardnekkig misverstand omtrent het wezen van de poëzie. De miskenning van het elementair taalkundig vakmanschap ten bate van een opvatting volgens welke poëzie uitstorting van hart en geest is, zonder de eis te erkennen van een, zij het minimale, vormgeving, maakt van de uitgebreide verzenproduktie van Dirk Vansina het schoolvoorbeeld van ontspoorde poëzie.
BEKRONINGEN
1928 Prijs voor Literatuur van de provincie Antwerpen;
1930 Gouden Medaille voor Schilderkunst op de wereldtentoonstelling te Antwerpen voor zijn houtskooltekeningen;
1955 Prijs Scriptores Catholici voor zijn essay over Pascal;
1957 Eerste Cyriel Verschaeveprijs van het Jozef Lootensfonds voor zijn werk "Verschaeve getuigt" (1956);
1959 Treedt op in het "Aktiecomité ter vrijwaring van de christelijke waardigheid in de religieuze kunst";
1964 Ereteken van Ridder in de Kroonorde op de jaarvergadering van Kunstenaars voor de Jeugd.
GERAADPLEEGDE BRONNEN
Websites
BIBLIOGRAFIE
Woordje vooraf
Na het chronologisch overzicht vindt u een beknopt overzicht per genre.
De gegevens van deze bibliografie werden onder meer nagekeken bij
Chronologisch overzicht
Jaar Titel Fotogalerij Uitgeverij 1ste druk
1917 De kroon van doornen. Mystiek-symbolisch sinnespel. (poëzie)
1920 Louteringsvuur. Oorlogsverzen; Met eene aanteekening van den schrijver; Antwerpen: J.-E. Buschmann, drukker -59p.
1922 Cyriel Verschaeve. (brochure); Antwerpen: Uitgeversmij Kiliaan. -44p; Reeks: Verhandelingen van de Algemeene Katholieke Vlaamsche Hoogeschooluitbreiding, nr 8 van den 19n jaarg., Oct. 1922, nr 205 van de verzameling.
1923-1924 De deemstering der zielen. (cyclus van vier leesdrama's); 1ste cyclus van vier leesdrama's, waarin zijn gebundeld: "De dood der Chimera's" (1923), "Lenore" (1923), "De Daad" (1924), "De Eeuwige Verlossing" (1924).
1961: Definitieve versie bij De zilverberk te Gooreind als deel van Scheppend werk / Vansina, Dirk. - Gooreind, 1960, currens; vol. 2 -438p; Antwerpen: N. V. Het Vlaamsche Land / Bussum: N. V. v/h P. Brand. -4 volumes
1923 De dood der Chimera's. Toneelspel in drie bedrijven. (toneel: leesdrama); Eerste deel van de cyclus 'De deemstering der zielen'; Antwerpen: N. V. Het Vlaamsche Land / Bussum: N. V. v/h P. Brand. -118p.
1923 Lenore (toneel: leesdrama); Tweede deel van de cyclus 'De deemstering der zielen'; Antwerpen: N. V. Het Vlaamsche Land / Bussum: N. V. v/h P. Brand. -179p.
1924 De Daad. (toneel: leesdrama); Derde deel van de cyclus 'De deemstering der zielen'; Antwerpen: N. V. Het Vlaamsche Land / Bussum: N. V. v/h P. Brand. -158p.
1924 De eeuwige verlossing. (toneel: leesdrama); Vierde deel van de cyclus 'De deemstering der zielen'; Leuven: S.V. Vlaamsche Boekenhalle. -130p.
1927 Dostojewsky. (essay); 1965: Volledig herwerkte versie van dit essay werd opgenomen in Verzameld Werk, Essays Deel I Uitg. Zilverberk te Gooreind. -211p; Antwerpen: N. V. Leeslust / Eindhoven: N. V. Lecturis. -160p.
1927 Het boek der liefde. Liefdesgedichten. (poëzie); 1928: herdruk bij N.V. Leeslust, Antwerpen; Antwerpen: N.V. Leeslust / Eindhoven: N.V. Lecturis. -54p.
1929-1931 De tragedie van God en mens. (cyclus van 3 leesdrama's); 2de cyclus leesdrama's, hierin zijn gebundeld: "Adam" (1929), "De Messias" (1931), "De Antichrist" (erfzonde -en verlossingsthematiek, 1931); Antwerpen: N.V. Leeslust. - slechts 2 volumes uitgegeven.
1929 Adam, een dramatisch gedicht; Eerste deel van de tweede cyclus leesdrama's 'De tragedie van God en Mensch'.
De andere delen zijn : "De Messias" (1931), "De Antichrist" (erfzonde -en verlossingsthematiek, 1931); Antwerpen: N.V. Leeslust. -59p; Fragmenten hieruit werden op toneel uitgevoerd door "Pogen" (1931-1935) en NIR (1938-1944).
1931 De Messias. Dramatisch gedicht door Dirk Vansina; Tweede deel van 'De tragedie van God en Mensch'; Antwerpen: N.V. Leeslust. -69p.
1931 George Minne. (essay); 1965: Heruitgave in Verzameld Werk. Essays deel II Uitgeverij Zilverbek te Gooreind; In het Duitse tijdschrift "Kunst und Dekoration"
1935 Cyriel Verschaeve. (biografie); 1937: 2de druk bij uitgeverij Zeemeeuw, Brugge. -123p; 1944: 3de bijgewerkte uitgave bij uitgeverij Zeemeeuw, Brugge -140p; Brugge: Uitgeverij Zeemeeuw. -122p.
1938 Het liederboek van Elckerlyc (poëzie); Bevat de cycli: Inleiding (pp 5-14); Kreten en rymen van het verdwaasde ik (pp 15-88); Liederen van groot verlangen (pp 89-111); Geprevelde en gestamelde strophen van het bezonnen ik (pp 112-168); S.l., S.n., S.a. -169p.
1938 Geprevelde strophen, zijnde een onderdeel van het liederboek. (poëzie); Bevat de cycli: Aan Maria (pp 5-8); Gebeden onder het kruis (pp 9-16); eerste reeks (pp 17-30); Tweede reeks (pp 31-56); Derde reeks (pp 57 -62); Dit is een afzonderlijke uitgave van het laatste deel uit 'Het liederboek van Elckerlyc'; Antwerpen: Vlaamsche Boekcentrale, s.a. -63p.
1941-1942 Sage van Kai-Roi. (3de cyclus leesdrama's); De cyclus bevat drie volumes: "Kains dood"(1941), Schilo, het zwaard (1942), De Ark (1942); Brugge: Uitgeverij "Wiek op". -3 vol.
1941 Kaïn's dood. (leesdrama); Eerste deel van de cyclus Sage van Kai-Roi; Bevat: 'Voorspel' (pp. 9 -19) en 'Kaïn's dood' (pp. 21-102); De twee andere delen (afzonderlijk uitgegeven) zijn: "Schilo, het zwaard" (1942), "De Ark" (1942); Brugge: Uitgeverij "Wiek op". -102p; Colofon: Van dit boek werden gedrukt, benevens de gewone oplage, 5 exemplaren op Hollandsch papier "Van Gelder en zonen" - genummerd van I tot V
1941 Filips van Chieti. Treurspel met vlaams-nationale inslag. (toneel); 1964: Herwerkte versie in: Toneel. Scheppend werk / Vansina, Dirk. - De zilverberk, Gooreind; vol. 3 -363p.
1941 Het wezen der Kunst. (essay); 1965: Heruitgave in Verzameld Werk. Essays deel II Uitgeverij Zilverberk te Gooreind; Brugge: Uitgeverij "Wiek op". -48p.
1942 Schilo, het zwaard. (leesdrama); Tweede deel van de cyclus 'De Sage van Kai - Roi'; Brugge: Uitgeverij "Wiek op". -105p. Prijs: 24 fr; Colofon: Van dit boek werden gedrukt, benevens de gewone oplage, 5 exemplaren op Hollandsch papier "Van Gelder en zonen" - genummerd van I tot V
1942 De Ark. (leesdrama); Derde deel van de cyclus 'De Sage van Kai - Roi'; Brugge: Uitgeverij "Wiek op". -108p; Colofon: Van dit boek werden gedrukt, benevens de gewone oplage, 5 exemplaren op Hollandsch papier "Van Gelder en zonen" - genummerd van I tot V
1942 Albrecht Rodenbach. (bloemlezing); Ingeleid en samengesteld door Dirk Vansina; Omslagontwerp van Br. Max; Diest: Kunstuitgeverij "Pro Arte" P.V.B.A. -86p; Reeks: Keurbladzijden uit de Nederlandsche letterkunde. - Diest; vol. 21
Colofon: Dit is het 21e deel in de reeks Keurbladzijden uit de Nederlandsche Letterkunde" welke staat onder redaktie van Drs. Karel Vertommen. Deze reeks, samengesteld uit 36 deelen, verschijnt bij Kunstuitgeverij "Pro Arte" p.v.b;a. te Diest, onder leiding van Jos Philippen.
1942 Jules Persijn. (essay + bloemlezing); Ingeleid en samengesteld door Dirk Vansina; Omslag-ontwerp van Br. Max; Diest: Kunstuitgeverij "Pro Arte" P.V.B.A. -93p; Reeks: Keurbladzijden uit de Nederlandsche letterkunde. - Diest; vol. 23
Colofon: Dit is het 21e deel in de reeks Keurbladzijden uit de Nederlandsche Letterkunde" welke staat onder redaktie van Drs. Karel Vertommen. Deze reeks, samengesteld uit 36 deelen, verschijnt bij Kunstuitgeverij "Pro Arte" p.v.b.a. te Diest, onder leiding van Jos Philippen.
1943 Liederen van dwaas begeren. (poëzie); Brussel: Uitgeverij Steenlandt. -16p; Reeks: De Bladen voor de Poëzie. Jrg.7, nr.10 [eerste serie].
1943 Hölderlin. (essay); 1965: Heruitgave in Verzameld Werk. Essays deel II Uitgeverij Zilverberk te Gooreind; Brugge: Uitgave "Wiek op". -242p.
1943 Jan Van Puyenbroeck. (brochure); Uitgegeven in opdracht van "Volk en kunst" en den "Interprovincialen cultuurdienst"; Met 8 pagina's zwart-wit reproducties; Deze lezing werd gehouden ter gelegenheid van de opening der tentoonstelling gewijd aan het werk van Jan van Puyenbroeck op 23 januari 1943, ingericht door het Stadsbestuur van Antwerpen in het "Stedelijk Kunstsalon", Eiermarkt 43; Antwerpen: N.V. Standaard - Boekhandel. -29p; Reeks: Kunstenaars van heden
1943 Zij, die voor Vlaanderen vielen, helden-herdenking ter gelegenheid van de IJzer-bedevaart 1943 : scenario. Brussel: Verbond V. O. S, s. a. -15p.
1944 Cyriel Verschaeve. (biografie); Derde bijgewerkte heruitgave van 1935; Met portret van Verschaeve tegenover het titelblad; Foto in zijn werkkamer tussen p 64-65; 2 foto's tussen p 124-125; Brugge: Uitgeverij Zeemeeuw. -140p.
1949 De Vlaamse primitieven. (studie); Met 43 zwart-wit platen; Bandversiering: O. L. Vrouw met het kindje Jezus als miniaturist (Brugse school); Leuven: Davidsfonds. -206p; Reeks: Keurreeks van het Davidsfonds. vol. 42.
1950 Liefde's Getijden. (gedichtenbundel); Bevat: Eerste deel: I. Het meisje spreekt: dat gij eens komen zoudt; II. Mijn handen beven; Tweede deel: I. Gelieve, die drijvend gedreven; II. O zware strenge zuil; III. De moeder spreekt; IV Woorden van verinniging; Brugge: Uitgave Wiek op. -72p; Colofon: De bundel 'Liefde's getijden' werd in het voorjaar negentienhonderd vijftig gedrukt en voor de eerste maal uitgegeven door de uitgeverij "Wiek op" te Brugge en in haar opdracht gedrukt op de persen van de drukkerij Vonksteen te Langemark.
1951 Ontraadselde beelden (gedichtenbundel); Antwerpen: 'De Poorte'. -58p; Reekstitel: Privé-uitgaven
1954 Pascal. (studie); Omslagtekening door Paul Ausloos; 1965: Heruitgave in Vansina's Verzameld Werk. Essays deel I Uitgeverij Zilverberk te Gooreind; Antwerpen: Uitgeverij Sheed & Ward N.V. -264p; Er is ook een uitgave bij Brand nv te Bussum. -259p.
1956 Verschaeve getuigt. (biografie); Met portretfoto van Verschaeve tegenover het titelblad; De publicatie bevat 32 documentaire foto's; Dit is de zelfstandige editie het eerste deel van Verschaeve's Verzamelde Werken in 8 delen uitgegeven tussen 1955-1961 bij uitgeverij "Zeemeeuw"; Brugge: Uitgeverij "Zeemeeuw". -877p.
1958 De zoektocht van Elkerlyc. (roman); 1965: Heruitgave in Scheppend Werk Dirk Vansina Deel IV Uitgeverij Zilverberk te Gooreind; Gooreind: De zilverberk. -435p.
1960 Cyriel Verschaeve als beeldhouwer. (monografie); Brugge: Uitgave Wiek op. -62p.
1960 Wat beoogt het aktiekomitee ter vrijwaring van de kristelijke waardigheid in de religieuze kunst? (brochure) Antwerpen: Aktiekomitee K.W.R.K. -16p; Reeks: De seizoenen. - Antwerpen; vol. 1: 1
1961-1965 Verzameld scheppend werk en essays (6 dln); Nota 1: de delen zijn niet gedateerd. De publicatiedata zijn dus bij benadering; Nota 2: Een uitgebreide beschrijving vindt u na dit chronologisch overzicht; Gooreind: De zilverberk/ Antwerpen: Standaard Boekhandel.
1966 De liefde leeft. (poëzie - bloemlezing); Foto auteur: Foto Daniel, Oostrozebeke; Verantwoording: De verzen werden naar het behandelde thema ingedeeld. Ze werden afgedrukt naar de definitieve tekst zoals hij werd vastgelegd in: Scheppend werk en Essays. Behalve dan de gedichten op blz. 10, 12, 14, 44, 53, 65, 67, die werden ontnomen aan 'De zoektocht van Elckerlyc' en dit op blz. 11 dat uit de 'Deemstering der Zielen' (deel II) werd gelicht, zal men ze in Poëzie I terug vinden. Er werd geen dramatische poëzie opgenomen; Hasselt, Uitgeverij Heideland pvba. -77p; Reeks: Poëtisch erfdeel der Nederlanden nr 47
OVERZICHT VERZAMELD SCHEPPEND WERK EN ESSAYS (6 DELEN)
1961 Poëzie. - Deel I van Verzameld scheppend werk; Gooreind: De zilverberk / Antwerpen: Standaard Boekhandel. -425p.
1961 De deemstering der zielen. - Deel 2 van Verzameld scheppend werk; Gooreind: De zilverberk / Antwerpen: Standaard Boekhandel. -438p.
1964 Toneel. Scheppend werk. - Deel 3 van Verzameld scheppend werk; Gooreind: De zilverberk / Antwerpen: Standaard Boekhandel. -363p.
1965 Pascal. Dostojewski. Essays. - Deel 1 van Verzamelde essays; Bevat: Pascal (pp 7-319); Dostojewski (pp 327-531); Gooreind: De zilverberk / Antwerpen: Standaard Boekhandel. -531p.
1965 Hölderlin. Het wezen der kunst. George Minne. Essays. - Deel 2 van Verzamelde essays; Bevat: Hölderlin (pp 5-308); Het wezen der kunst (pp 309-366); George Minne (pp 367-372); Gooreind: De zilverberk / Antwerpen: Standaard Boekhandel. -375p.
1965 De zoektocht van Elckerlyc. - Deel 4 van Verzameld scheppend werk; Gooreind: De zilverberk / Antwerpen: Standaard Boekhandel. -435p; Colofon: Dit boekwerk werd gedrukt op de persen van Drukkerij Foreholte te Voorhout in opdracht van uitgeverij De Zilverberk te Gooreind.
BEKNOPT OVERZICHT PER GENRE
VERZEN
1917 De kroon van Doornen." Mystiek-symbolisch sinnespel.
1920 Louteringsvuur. Oorlogverzen.
1927 Het boek der liefde, 1928²
1938 Het liederboek van Elckerlyc.
1938 Geprevelde strophen, zijnde een onderdeel van het Liederboek.
1943 Liederen van dwaas begeren
1950 Liefde's getijden
1951 Ontraadselde beelden
LEESDRAMA'S EN TONEEL
"De Deemstering der Zielen." Drama, 4 Vol., 1922-1924.
"De Tragedie van God en Mensch." 3 vol., 1929-1931.
"Sage van Kai Roi." 3 vol. 1941-1942
1941: "Filips van Chieti." Treurspel met Vlaams-nationale inslag.
ROMAN
1960 De zoektocht van Elkerlyc, bevat een groot aantal gedichten
Eerste boek: De onvolwassen mens (pp.9-106)
Tweede boek: De tuchteloze mens. (pp.107-178)
Derde boek: Mens en medemens. (pp.179-300)
Vierde boek: Mens en godmens. (pp.301-427)
VERZAMELD WERK
Nam het initiatief tot een "Verzameld Werk" onder de titel "Scheppend Werk. Poëzie en Essays" (6 vol.), waartoe hij zijn drama's en gedichten herwerkt.
STUDIES EN ESSAYS
1922 Cyriel Verschaeve (brochure)
1924 Dostojewski (essay) Herwerkte versie in 1965 opgenomen in Verzamelde Werken Essays I)
1931 George Minne. In het Duitse tijdschrift "Kunst und Dekoration". In 1963 in Verzamelde Werken Essays II.
1935 Cyriel Verschaeve, (biografie) een tweede druk verscheen in 1937, een derde in 1944.
1941 Het wezen der Kunst.(essay) In 1963 in Verzamelde Werken Essays II.
1942 Hölderlin. Een herwerkte herdruk verscheen in 1963 Verzamelde Werken Essays II.
1943 Jan Van Puyenbroeck
1949 De Vlaamse Primitieven.
1955 Pascal. Een herdruk verscheen in 1965 in Essays I
1955 Verschaeve getuigt, in Deel I van Verschaeve verzameld werk. In 1956 verscheen een afzonderlijke publicatie.
1959 Verschaeve als beeldhouwer. (essay)
BROCHURES
1943 Zij, die voor Vlaanderen vielen, helden-herdenking ter gelegenheid van de IJzer-bedevaart 1943 : scenario.
1960 Wat beoogt het aktiekomitee ter vrijwaring van de kristelijke waardigheid in de religieuze kunst?
KEURBLADZIJDEN EN BLOEMLEZINGEN
1938 Poëzienummer van het tijdschrift Volk (in samenwerking met Karel Vertommen)
1942 Jules Persijn
1942 Albrecht Rodenbach
TEKSTUITGAVEN
1943 Jozef Muls' werk (Bloemlezing gepubliceerd ter gelegenheid van Muls 60ste verjaardag); Ingeleid door Jan Hallez en Dirk Vansina met een bibliographie door Rob. Roemans; Ontwerp bandversiering: Hooger Nationaal Instituut voor Architectuur en Sierkunsten; Diest: Kunstuitgeverij Pro Arte. -541p.
Colofon:
Dit boek werd samengesteld ter gelegenheid van den 60en verjaardag van Prof. Dr. Jozef Muls, als blijk van dank en waardeering voor de groote diensten welke hij aan ons volk bewees, door zijn rustelooze arbeid, zijn geschriften, lessen en voordrachten, zijn raad en leiding, alle uiting van zijn nobel hart en van zijn rijk talent.
Aan deze uitgave verleenden hunne medewerking:
Jan Hallez en Dirk Vansina, door het schrijven der inleidende studies en het samenstellen van de bloemlezing; R. Roemans, door het opmaken der bibliographie; het Hooger Nationaal Instituut voor Architectuur en Sierkunsten, door het ontwerpen van de bandversiering; de drukkerij De Vos-Van Kleef, Antwerpen, voor het verzorgen van den druk; Jos Philippen, Dir. Van "Pro Arte" door het waarenemen van de leiding dezer uitgave.
In 't jaar onzes Heeren MCMXLII
1954-1961 Cyriel Verschaeve Verzameld Werk (8 delen), als lid van het redactiecomité.
1955 Toneelwerken door Cyriel Verschaeve, onder toezicht en met een inleiding
1955 Poëzie van Cyriek Verschaeve, met inleiding en aantekeningen, alsook inleiding tot Uren bewondering.
[bron: https--schrijversgewijs.be/schrijvers/vansina-dirk]
||door: Dirk Vansina
||taal: nl
||jaar: 1965
||druk: ?
||pag.: 435p
||opm.: hardcover|zo goed als nieuw
||isbn: N/A
||code: 1:001647
--- Over het boek (foto 1): De zoektocht van Elckerlyc - Roman ---
1914-1918 in de spiegel van de Vlaamse letterkunde
Welke sporen heeft de eerste wereldoorlog in onze letterkunde nagelaten? Stippen we vooreerst aan dat bij elke schrijver, die toentertijd aan het woord was of in de naoorlogse jaren debuteerde, iets is te vinken dat op de oorlog betrekking heeft. Het is niet onze bedoeling een lijst van deze geschriften aan te leggen. Trouwens, de beschikbare plaatsruimte laat dit niet toe en legt ons beperkingen op. We houden ons dan aan de auteurs die, ofwel als soldaat rechtstreeks bij de gebeurtenissen waren betrokken, ofwel als ooggetuige een en ander hebben meegemaakt, ofwel zeer nauwe contacten met onze jongens hebben gehad.
Hoe hebben de veldslagen en de stellingoorlog zich in onze letteren gereflecteerd? Jammer genoeg heeft geen enkel schrijver ons het epos gegeven dat door ons leger werd beleefd. Evenmin is er een die, op overtuigende wijze, de evolutie in de geest en in het gemoed van de toenmalige jeugd heeft uitgebeeld.
Voor de studenten was de sprong nochtans groot van de burgerlijke voldaanheid van 'la belle époque' naar het inferno van de loopgraven, van de gemoedelijke engheid van het Vlaams provincialisme naar de wereldomvattende visie die ze tijdens hun verloven in Frankrijk, maar vooral in Engeland gingen ontdekken. Ook in eigen land kwamen zij in betrekking met soldaten uit alle werelddelen. Wie zal de lijst opmaken van de volkeren die, op Vlaamse bodem, hun bloedtol aan de geallieerden hebben afgedragen? Bij hun ontmoetingen met Afrikanen en Aziaten, Australiërs en Amerikanen gingen de ontwikkelde Vlamingen zich wereldburgers gevoelen en in Londen en Parijs waren zij niet in den vreemde. In de geschriften van onze debuterende auteurs is evenmin iets te merken van het socialistisch ferment, dat in Frankrijk en Duitsland doorwerkte en in Rusland tot de omwenteling en de oprichting van de eerste communistische staat heeft gevoerd.
Indien we onze oorlogsletterkunde overschouwen moeten we wel bekennen dat de oogst niet bijster groot is. Hij valt echter niet te misachten. Naast het uitmuntend proza van drie germanisten: Claes, de Pillecyn en de Backer zijn er héél wat documentaire geschriften, die op een behoorlijk peil staan. Wat onze frontdichters betreft: hebben zij geen vormvernieuwing gebracht, zo hebben zij nieuwe thema's aangesneden en verzen van blijvende waarde geschreven. Het is daarbij opvallend dat ook middelmatige literatuur uit die jaren een aksent heeft van oprechtheid en zuivere menselijkheid, zodat zij eveneens tot een ontroerende getuigenis werd van de wijze, waarop het Vlaams gemoed de onmenselijke toestanden van de oorlog heeft ondergaan.
Wanneer Duitsland België binnenviel was de verontwaardiging algemeen. Talrijke verzen werden er door geïnspireerd. De atmosfeer van de eerste dag van de oorlog vindt men terug in een gedicht van pater Fleerackers waaraan wij volgende strofe ontlenen:
Klaroenen schetteren; mensen lopen;
in de nacht al de deuren gaan open:
Wat is er trompetter? Wat is er op hand?
Te weer en te wapen! 't Is oorlog in 't land!
Op burgers en boeren, poorters en pachters!
Klaroen! Klaroen! Klaroen!
't Is om het land en de vrijheid te doen!
Te Luik vielen de forten na een bewonderenswaardige weerstand. Nabij Haelen werd een sterke afdeling Duitse ruiterij door Belgische lanciers en karabiniers verslagen. In het nabije Loxbergen was de Limburgse dichter August Cuppens pastoor. Het wapenfeit inspireerde hem tot een geslaagde ballade: 'De slag der zilveren helmen', die nochtans nergens het peil van goede volkspoëzie overschrijdt.
De belegering en de val van Namen werd meegemaakt door Ernest Claes die er werd gekwetst. Zijn uitzonderlijke gaven laten zich reeds gelden in de reeks verhalen, die hij bundelde in 'Oorlogsnovellen'. Dit boek zet in met een ontroerend opstel 'Aan mijn moeder' dat als motto draagt: 'Deze tijd is de tijd van het grote moederlijden', waardoor van meet af aan het onmenselijke van de oorlog aan de kaak werd gesteld. Claes ondergaat de oorlog zoals de volksmens van het platteland hem ondergaat: als een ontzettende ramp die de gezinnen uiteenrukt, de zonen aan hun ouders ontrooft, de velden verwoest, de hofsteden met stallen en schuren in de vlammen laat opgaan. Hij is wars van de grote woorden van Recht en Eer waaraan de stedelingen en... de gelegenheidsdichters zich beroezen. Het hoogtepunt van de bundel is ongetwijfeld 'Van een schamel moederken', een novelle van een even schrijnende menselijkheid als een beeld van Käte Kollwitz.
Namen 14, waarin Claes zijn eigen vreselijk wedervaren verhaalt, is een groot boek geworden dat in de wereld-letterkunde thuis hoort. Men moet een edel mens zijn om over zichzelf te spreken zonder een zweem van aanstellerij; men moet een prozaïst van formaat zijn om het beleefde op zulkdanige wijze te verwoorden dat de lezer het in zijn volle intensiteit navoelt.
Een even groot meesterschap betoont Filip de Pillecyn in De Rit, het verhaal van een patrouilletocht tijdens de uren dat de Duitse stortvloed Brabant overspoelde; een verkenning die de schrijver niet heeft meegemaakt, doch die zo overtuigend is geschreven dat ze haast al de kenmerken van het zelfbeleefde vertoont.
De terugtocht van het veldleger op de vesting Antwerpen, de uitvallen, de belegering en de beschieting van de forten en van de stad, de aftocht van het leger, die eindigen zal aan de IJzer, zijn gebeurtenissen die geen felle weerklank in onze literatuur hebben gewekt, tenzij in de sterk realistische roman van J. Schoup: In Vlaanderen heb ik gedood.
Tijdens de eerste weken van de oorlog hadden talrijke vrijwilligers zich gemeld en werden de recruten van de lichting 14 binnengeroepen. Fritz Francken, die tot deze laatsten behoorde, verhaalt hiervan in: Uit mijn soldatentijd, een boekje zonder literaire pretentie. Wij kunnen de slag aan de IJzer niet naleven door de lectuur van een letterkundige herschepping, maar hij werd met nauwkeurigheid beschreven door een man uit de streek die hem als soldaat meemaakte. De IJzerslag 14 door Marcel Senesael is vermoedelijk het betrouwbaarste document dat, in welke taal ook, over deze historische gebeurtenis werd gepubliceerd.
Evenals voor Claes in de omgeving van Namen, waren voor Cyriel Verschaeve, toenmaals kapelaan in het Veurne-Ambacht, de vluchtelingen de voorlopers van de naderende oorlog, die in de nacht van 15 tot 16 oktober de IJzer bereikte. Reeds twee dagen later moet hij een terdood veroordeeld soldaat bijstaan en de fusillering bijwonen. Hij beschrijft dit in het oorlogsdagboek dat hij bij de aanvang van de oorlog is gaan bijhouden. Dit dagboek dat niet met het oog op publicatie werd geschreven bevat menige aangrijpende bladzijde en blijft een onmisbaar document voor de geschiedschrijver, die de geestesgesteldheid van de soldaten tijdens de eerste oorlogsjaren wil begrijpen. Vanzelfsprekend is het een even onmisbaar stuk voor de kennis van de dichter-denker.
Het gaafste hoofdstuk uit het Oorlogsdagboek is wellicht 'Een nacht in de kerk' waarin hij de heilige dood verhaalt van een eenvoudige boerenjongen die als zwaargekwetst soldaat in zijn kerk werd neergelegd. Wanneer de slag is geluwd en de aanvalsoorlog in een stellingsoorlog is vastgelopen, kreeg Verschaeve de gelegenheid om de achterste stellingen van het front te bezoeken. Hij maakt de zeer pertinente opmerking dat de soldaten nog slechts dienst doen als schietschijf voor de kanonnen en roept uit: 'Is me dat een slagveld? Geslagen, gevochten wordt er niet; dit is een kerkhof, waar levenden in graven de dood afwachten'.
Verschaeve, die met de soldaten is gaan meeleven, heeft voor hen liederen gedicht, die doorgaans al te stug en stroef zijn uitgevallen. Zo dit Lied van het slijk:
Wij staan hier besprenkeld, bespat,
van 't hoofd tot de voeten vol moore,
wij liggen beklijsterd, beklad
als slijk zijn wij, achter en voren.
Doch Duitsland mag weten en 't weet het
en nimmer vergeet het
dat bij ons het slijk op de kleren slechts viel
bij hem op zijn ziel.
Wie het leven op het front heeft meegemaakt zal er zich over verbazen dat, in de gegeven omstandigheden, nog enige intellectuele inspanning mogelijk is geweest. Voor een debutant, die daarbij in het Nederlands wou schrijven, waren de moeilijkheden met de taal niet gering. Op het college had hij immers, zo goed als uitsluitend Frans onderricht genoten en de volksjongens, waarmede hij samenhokte, spraken enkel hun dialect.
Waren boeken schaars, zo waren goede Nederlandse boeken haast onvindbaar. Wanneer hij met verlof ging was hij op Frans of Engels aangewezen. In feite zat de Vlaamse frontdichter ingesloten op een klein taaleiland, zonder contact met een beschaafd-sprekende gemeenschap. Niemand kon hem aanwijzen hoe hij de Franse militaire vaktaal in het Nederlands moest omzetten. De volksjongens wisten het evenmin doch ze schiepen voor eigen gebruik een soort oorlogsbargoens dat door Evermar van Moere in Soldatenleven, een bijdrage tot de oorlogsfolklore van de Vlaamse soldaat, werd vastgelegd. Terecht noteerde hij in zijn inleiding: 'Onze kerels hebben hun oorlogstaal doorzaaid met woorden, spreuken en uitdrukkingen wier frisse oorspronkelijkheid en diepe spontaanheid 't oorlogsleven alleszins aanschouwelijk voorstellen'.
We vinden weinig of geen van bedoelde woordenschat bij de gelegenheidsdichters wier verzen door Jan Bernaerts en Hendrik Heyman werden opgenomen in de in 1916 verschenen verzameling Oorlogspoëzie. Op een enkele uitzondering na werden de afgedrukte gedichten ofwel aan het front, ofwel in het buitenland door aldaar vertoevende Vlamingen geschreven. Bevreemdend mag het heten dat het beste dat we in het boek aantreffen niet is van de hand van dichters met stevig gevestigde faam zoals Constant Eeckels en Karel van den Oever, doch ondertekend zijn door kwasi-onbekenden zoals Hodister, T. de Ridder, A. Nobels, A. van Veerdegem, die echter allen overschaduwd worden door het frisse talent van Fritz Francken.
Tijdens de volgende jaren zal Daan Boens naar voren treden en komen meerdere jongere debutanten aan het woord in de dagbladen: De Belgische Standaard, Ons Vaderland en in het weekblad De Stem uit België. Het ontbrak niet aan verzenschrijvers, doch zoals steeds bleven de waarachtige dichters een zeldzaamheid.
De Westvlaamse priester-dichter Julius Valckenaere (Horand) liet in het onbezette gebied een bundeltje 'Oorlogsgedichten' drukken. Ward Hermans publiceerde achteraf een keur uit zijn bundels: Verzen van Liefde en Strijd. Van de Pillecyn en Jozef Simons verscheen Onder den hiel. De naam van Leo de Naeyer verdient bewaard te blijven omwille van volgend vers, dat bij gelegenheid van het sneuvelen van een studiemakker werd geschreven:
De toekomst lacht u toe mijn vriend, als ooft
dat weeldrig hangt met morgendauw beladen,
in rozig-jonge zon, langsheen de paden
der levensgaard die wonne u had beloofd.
Jong, werkenswaardig, gingt gij slechts één dag
den zonnegouden gaard in van het leven;
met vasten zin, 't hoofd hoog en zonder beven,
de toekomst toe, die voor u lag; en ach
uw handen mochten niet de druiven persen,
die purper-doodrijp hingen, zwaar in tros,
om uwen sterken levensdorst te lesschen.
Het leven hebt ge nauwelijks zien rijpen
en 't ooft bood u alleen den morgenblos.
Toen gingt gij heen, voor ge de vrucht mocht grijpen.
De dood van medestrijders heeft menig dichter geïnspireerd tot een vers van blijvende waarde. We denken hierbij aan enkele strofen van Fritz Francken, maar vooral aan Na den aanval van Franz de Backer en aan het in zijn grote eenvoud zo ontroerend gedicht van de prins der Vlaamse frontdichters: August van Cauwelaert dat zo prachtig inzet met de versregels:
Hij sloeg zijne armen op en sloot
zijne ogen op het licht der dagen...
wie zal zijne arme moeder dragen
de droeve mare van zijn dood?
Het sneuvelen van de studentenleider Firmin Deprez heeft Verschaeve geïnspireerd tot een sonnet dat krachtig inzet met:
Zijn wil was zijn beitel om staag te houwen
zijn beeld scherp van lijnen en manlijk schoon,
opdat het eens staan mocht voor Godes troon
en trotsen de scherpte van 't godd'lijk schouwen.
Hij heeft de Vlaamse doden voor Vlaanderen opgeëist in het lapidaire vers dat mondgemeen is geworden:
Hier liggen hun lijken als zaden in 't zand
Hoop op den oogst, o Vlaanderland.
De Grafrijmpjes van aalmoezenier R.V. Mortier werden op duizenden eksemplaren verspreid. Men kan ze bezwaarlijk tot de poëzie rekenen; het zijn inderdaad slechts rijmpjes, maar een grafschrift als het volgende voor een soldaat die verdronk is wel pittig:
Vroeger of later
Gene door 't vuur, deze door 't water.
Niet enkel aan het front stierven de jongens. Er werden graven gedolven in de omgeving van de krijgshospitalen; er werden er eveneens gegraven in deze van de Franse gevangenissen waarin de veroordeelde IJzerjongens roemloos crepeerden; er werden er eveneens gedolven aan de paradijselijke Azurenkust voor de teringlijders die er bezweken. Dr. Albert van Driessche, die er als arts dienst deed, gaf op diep-ontroerende wijze getuigenis van wat hij heeft meegemaakt in Het glorieloze Lot.
Met stoïcijnse moed zag Filip de Pillecyn de dreigende dood tegemoet in een regel die veel gelijkenis vertoont met de aanvangsregel van het bekende gedicht van de Engelse dichter Rupert Brooke: 'If I should die, think only this of me': - 'Wanneer ik vallen moest, denk dan alleen dat uit mijn woord'... enz., doch dat niettemin zijn grote waarde behoudt en tot het beste behoort van wat aan het front werd gedicht.
De religieuze gelatenheid van de dulder, de christelijke overgave aan Gods wil werd door Hilarion Thans énigmooi verwoord:
Nietwaar, wij zullen het dragen,
mijn ziel, in trouw geduld
en zonder wondrend vragen
waarom nu al onze dagen
kwamen in rouw gehuld.
De minderbroeder-verpleger bad toen eveneens zijn Verplegersgebed:
Geef mij te zien, o Heer, hoe Gij het zijt
die op dit bed, uw kruis ligt, en die lijdt.
dat evenzeer van zijn dichterschap als van zijn vroomheid getuigenis aflegt.
Evenals Hilarion Thans had August van Cauwelaert reeds vóór de oorlog gedebuteerd. Hij was bij van de Woestijne en Boutens in de leer geweest en beschikte over een benijdenswaardig fijn taalgevoel. De Liederen van Droom en Daad, die hij schreef nadat hij levensgevaarlijk werd gewond, zijn ongetwijfeld het hoogtepunt van onze oorlogspoëzie. Naast de letterkundige gaafheid treft men er de zieleadel aan, die zo kenschetsend was voor de idealistische Vlamingen, die zich voor de verbeestelijking van het frontleven wisten te behoeden. Haast al zijn verzen verdienen te worden aangehaald. Wij kunnen de lezer slechts aanzetten ze in zijn bundel na te lezen.
De verzenbundels van Fritz Francken en Daan Boens zijn van een heel ander allooi. Fritz Francken heeft iets van de zwier en de losheid van Pol de Mont. Hij charmeert door zijn krachtig ritme en zijn speelse klank, ook dan nog wanneer de inhoud wat mager uitvalt. Hij schrijft àl te gemakkelijk, zodat veel van zijn verzen iets weg hebben van een improvisatie. Aan het front werden ze fel bewonderd. Ze gingen niet diep, maar ze waren de poëtische transpositie van het leven dat aldaar werd geleefd. Wie in de toenmaals gepubliceerde bundels naar zijn gaafste verzen op zoek gaat, raadplege insgelijks zijn in 1959 gepubliceerde bundel Met de ransel op de rug, die talrijke gedichten bevat uit de periode 1914-1918.
De drie dichtbundels van Daan Boens hebben wellicht evenveel documentaire als poëtische waarde, al hebben wij hier ongetwijfeld met een waarachtige dichter te maken. Hij heeft een rijk gemoedsleven en heeft de verdienste een ernstige poging te hebben gedaan om de indrukken uit het loopgravenleven met adekwate woorden en beelden vast te leggen. Gave gedichten zijn bij hem schaars; maar zij zijn er, en af en toe, treft men in de onrijpere gedichten versregels aan die doen opkijken. Ook loopt hij op het humanistisch expressionisme vooruit met de gedichten waarin hij de aspiraties naar een betere wereld vertolkt, zoals in deze regels:
En als gij zien zult hoe nog dàn die ongekenden,
die lieden waarvan geen geschiedenis bestaat,
door eigen kracht 't gebouw der wereldvree volenden
met 't onbegrensd geloof der toekomst op 't gelaat
dan zult gij, man, die broeder zijt van deze stoeren,
gerust zijn in het lot, dat als een gulden dal
zijn goedheid zal langsheen de rots der vrede voeren...
Herhaalde malen werd gepoogd de opmarsj naar de loopgraven in een vers weer te geven. In een der zeldzame gedichten die hij schreef is Anton van de Velde daar het best in geslaagd. Het verdient meer bekendheid.
Allerzielen
Met zware stap, als schimmen in het duister,
een vloek verbijtend, in de kleffe klei verlamd,
gaan ze allen voort. Er is een helse luister
in 't westen en de aarde is moegeramd.
De rug gebogen onder zak en wapen,
de stok geklemd in ruwgeknepen vuist,
en de oude pijp in strakgepeesde koppen,
trekt heel de bende op, vergrauwd, verluisd.
Langsheen het karspoor hier en daar een grafkruis,
dat zwart vlekt op een zode moddergrijs;
daaronder liggen meestal onbekenden,
die haakten naar een eindlijk paradijs.
Terwijl de troep, nog krommer, door de avond
voorbijgaat, keren allen 't stroeve hoofd
naar al die kruisen met een blik vol deernis:
Dié mensen had men komend heil beloofd!
De regen klettert over dode velden
de roffel voor wie naar de voorpost gaan.
De wind giert woest in de verminkte bomen,
die knerpend met hun laatste takken slaan.
Met zware stap, verdampend in het duister,
vergaat de troep. 't Kanon scheurt plots de lucht,
en naar het zuiden keert met vlugge vlerken
een opgeschrikte, zwarte vogelvlucht.
Soldaten gingen af en toe met verlof. Ze beleefden er wel eens amoureuze avonturen. Dergelijke verhalen hebben Fritz Francken en Frans Smits op hun actief. In Mijn Oorlog memoreerde Hilarion Thans, niet zonder humor, zijn omgang met de kameraden.
Op een hoger peil staan de boeken van Karel Elebaers: Lief en leed uit dagen van lijden en Na den Storm. Zij munten uit door fijne opmerkingsgave en zijn vaak pareltjes van schrijfkunst.
Er drong niet veel tot ons door van wat in de Duitse krijgsgevangenkampen werd geschreven. De Verzen van Elegast van Piet van Rossem zijn onpersoonlijk, doch correct en in een verrassend goed Nederlands gesteld. In Bei uns in Deutschland vertelt Ernest Claes op gemoedelijke wijze van de opgedane ervaringen. Hij werd vrij spoedig uitgewisseld tegen Duitse gevangenen en werd over Zwitserland naar Frankrijk gevoerd. Eens over de grens bezint hij zich over de oorlog in Waar is de waarheid? en komt tot de slotsom: 'Ik vind de waarheid in de eenvoud van mijn hart'. Het is ook aldaar dat Edgar Gevaert ze heeft gevonden, nadat hij de afslachting van de IJzerslag had meegemaakt. Hij schreef zijn bedenkingen neer in een persoonlijke archaïsche stijl die aan zijn geschriften een eigenaardige bekoring verleent. Zeer terecht werd In den hof der Liefde door Felix Timmermans en Wiens Moens fel geprezen.
In zijn expressionistisch spel van de oorlog: Nuances heeft de zwaar verminkte Paul de Mont het dwaze en monsterachtige van de oorlog aan de kaak gesteld. Niet het minst in het derde deel waarin een gesneuvelde meent dat slechts doden mensen zijn. Menselijke mensen treft men haast niet aan onder de levenden.
Het bevrijdingsoffensief dat in de herfst van 1918 werd ingezet, betekende het einde van de stellingoorlog. De doorbraak was moordend voor beide partijen. De verliezen aan pelotonchefs - en dat waren toen doorgaans hogeschoolstudenten - waren uitzonderlijk hoog. Frans de Backer die de stormlopen in deze hoedanigheid heeft meegemaakt liet zich hierdoor inspireren bij het schrijven van Longinus. De tragiek van de jonge luitenant die, dag na dag, mensen moet moorden en zijn eigen jongens de dood injagen, werd door de schrijver scherp aangevoeld. Spijt de bezieling waarmede het werd geschreven is het boek sober en beheerst. Realisme en symboliek vullen elkaar aan zonder elkaar te hinderen. Evenals dit met Namen 14 van Claes het geval is, kan men de waarde van Longinus bezwaarlijk overschatten.
De Vlaamse Beweging aan het front inspireerde menig gelegenheidsdichter tot strijdliederen die doorgaans geen behoorlijk peil bereikten. Een enkele maal menen wij er een echo van René de Clercq in te vernemen. Ook aan het front moeten de mannen van Havere (in Le Havre was de Belgische regering gevestigd) het ontgelden. Van Cauwelaert pende een dithyrambe die uitstekend is in haar aard. Het frontlied van Jozef Simons kende succes, al heeft het geen literaire verdienste. Deze zal men niet ontzeggen aan zijn oorlogsroman Als Vlaanderen vergaat dat nochtans niet het epos van de Vlaamse IJzersoldaat is geworden, al heeft de auteur er zichzelf in overtroffen. Hij leest vlot, is in keurig Nederlands gesteld, en de personen zijn net voldoende getypeerd. Men zal hem bij de veredelde volkskunst onderbrengen. Dat eveneens de jeugd van de leidende standen, tot de adel toe, de rangen van het strijdende Vlaanderen moet vervoegen is een thesis die door het verhaal handig wordt geïllustreerd.
Wanneer de legers de frontstreek hadden verlaten bleef daar slechts een puinhoop over, waarin de weergekeerde vluchtelingen zich kwamen nestelen. Een hunner, de niet onbegaafde prozaïst Juul Filiaert schreef een relaas van hun wedervaren in Tiji's oog op de puinhoop.
Juffrouw Belpaire, die tijdens de oorlog in de Panne vertoefde en er oneindig veel heeft gedaan voor de kulturele verheffing van de soldaten, publiceerde achteraf haar gedenkschriften. In De vier wondere Jaren herdenkt zij de kunstenaars en de letterkundigen die ze van naderbij had leren kennen. Dit geeft ons de gelegenheid om enkele namen te vernoemen die in dit overzicht niet mogen ontbreken. Lode van Eyck vooreerst, van wie we krachtig proza mochten lezen en die succesrijke lezingen heeft gehouden, Arthur Coussens, en last not least dr. de Gruyter die weliswaar niet heeft geschreven, doch die het geschreven woord in zijn volle luister heeft gezet.
Volledigheidshalve moet de steller van dit overzicht naar eigen werk verwijzen. Voor wat de eerste oorlogsmaanden betreft naar de laatste delen van 'De Zoektocht van Elckerlyc', voor het leven in de vuurlinie naar 'De Deemstering der Zielen' (meer bepaald naar 'De Daad'), voor de religieuze verdieping in de loopgraven naar de verzenbundel 'Louteringsvuur' en naar het mystiek sinnespel 'De Kroon van Doornen'.
Dirk Vansina [bron: https--www.dbnl.org/tekst/_vla016196401_01/_vla016196401_01_0119.php]
--- Over (foto 2): Dirk Vansina ---
Desiderius Maria Cornelia Ludovicus (Dirk) Vansina (Antwerpen, 25 mei 1894 - Leuven, 16 januari 1967) was een Vlaams schrijver en kunstschilder. Als auteur schreef hij gedichten, essays en toneelwerk. Hij was ook redacteur van verschillende tijdschriften. Hij was een Vlaams katholiek voorman die een rol speelde in de culturele vleugel van de Vlaamse Beweging tijdens het Interbellum.
Dirk Vansina werd op 25 mei 1894 als Desiderius Vansina geboren te Antwerpen. Zijn moeder Maria Theresia van Goubergen hield een kunstborduurwerkatelier in de Keizerstraat te Antwerpen, producent van liturgische gewaden, kerkvanen en grote kunstvlaggen voor verenigingen.
Vansina studeerde handel in het Sint-Jan Berchmanscollege te Antwerpen, met de bedoeling om - gezien hij de enige zoon in het gezin was - het kunstborduurwerkatelier van zijn ouders over te nemen.
Daartoe volgde hij privétekenles bij Samuel De Vriendt, zoon van Juliaan De Vriendt, en volgde hij een opleiding schilderen aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten te Antwerpen in de klas van portretschilder baron Isidoor Opsomer. Daarna studeerde Vansina in Brussel Oosterse en Egyptische kunst.
Dirk Vansina huwde met Suzanna Verellen, samen kregen zij 12 kinderen. Zijn zoon Guido Vansina werd Belgisch ambassadeur. Die zijn zoon, Frederik Vansina, werd generaal bij de Belgische luchtmacht.
Na de Eerste Wereldoorlog werkte hij een tijd in de zaak van zijn ouders tot hij verhuisde naar Gooreind, waar hij een steenbakkerij overnam. In 1930 nam hij in Antwerpen de zaak van zijn ouders over.
Gedurende de oorlog weigerde hij in nationaalsocialistische cultuurorganisaties actief te worden. Hij bleef echter bevriend met priester Cyriel Verschaeve, aan wiens sterfbed hij stond in Solbad Hall (Tirol) in 1949.
Vansina lag aan de basis van tijdschriften zoals De Pelgrim en Volk.
Vansina was redacteur bij diverse culturele bladen waaronder het gezaghebbende "Dietsche Warande en Belfort" waarvan hij na de dood van Jules Persyn een tijd hoofdredacteur was. Hij gaf het kunsttijdschrift "Volk" uit tot het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog.
Dirk Vansina leverde de bindteksten voor enkele IJzerbedevaarten.
Hij was medestichter van de Pelgrimbeweging, het Vlaams Volkstoneel en Pro Deo, een beweging die ijverde voor het behoud van het gewijde karakter in de moderne religieuze kunst in al haar uitingen, van kerkbouw tot illustraties.
In 1965 verscheen zijn vijfdelig Verzameld Werk dat een overzicht geeft van zijn voornaamste werk. Het bevat een selectie bevat van de verzen in verschillende dichtbundels gepubliceerd in de jaren 20 en 30 vanaf Louteringsvuur, ontstaan in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog, die Vansina als oorlogsvrijwilliger meemaakte. Verder bevat het een selectie van toneelstukken die, op het historische Chiëti na, diep religieuze leesdrama's zijn. Vansina beschouwde De sage van Kai-Roi als zijn beste werk op dit gebied.
Zijn belangrijkste werk zijn z'n essays die terecht opgemerkt en hoog gewaardeerd werden.[bron?]
De enige roman die Vansina publiceerde was De zoektocht van Elkerlyc.
Zijn schilderijen, pastels en tekeningen behandelen bij voorkeur religieuze thema's. Het bijzondere Dagboek van het front, uit louter tekeningen bestaand, bleef bewaard als een schrijnend document.
Dat hij als tekenaar talent had, mag blijken uit het feit dat hij op de wereldtentoonstelling van 1930 in Antwerpen een gouden medaille mee naar huis mocht nemen voor een reeks houtskooltekeningen.
Publicaties
Literaire Werken
- De kroon van doornen (1917)
- De tragedie van God en mens (1917-1931)
- De deemstering der zielen (1919-1924)
- Het boek der liefde (1927)
- Het liederboek van Elckerlyc (1938)
- Sage van Kai Roi (1940)
- Philips van Chiëti (1941)
- Liederen van dwaas begeren (1943)
- De Vlaamse primitieven (1949)
- Liefdesgetijden (1950)
- Ontraadselde beelden (1951)
- De zoektocht van Elkerlyc (1958), roman
- Verzameld scheppend werk en essays (6 delen) (1961-1965)
Essays
- Hölderlin (1943, herschreven in 1963)
- Verschaeve getuigt, biografie over Cyriel Verschaeve (1944)
- Pascal (1954)
- Verschaeve getuigt (1956)
- Dostojewski (1964)
- Het wezen der kunst. Deze beknopte studie was bedoeld als voorpublicatie van het groots opgezette werk dat hij niet meer kon voltooien.
Bekroningen
Vansina werd met verschillende eretekens onderscheiden en met prijzen vereerd:
1928 Prijs voor Literatuur van de provincie Antwerpen;
1930 Gouden Medaille voor Schilderkunst op de wereldtentoonstelling te Antwerpen voor zijn houtskooltekeningen;
1955 Prijs Scriptores Catholici voor zijn essay over Pascal;
1957 Eerste Cyriel Verschaeveprijs van het Jozef Lootensfonds voor zijn werk "Verschaeve getuigt" (1956);
1959 Treedt op in het "Aktiecomité ter vrijwaring van de christelijke waardigheid in de religieuze kunst";
1964 Ereteken van Ridder in de Kroonorde op de jaarvergadering van Kunstenaars voor de Jeugd.
[bron: wikipedia]
DIRK VANSINA
Antwerpen, 25 mei 1894 - Leuven, 16 januari 1967
Dubbeltalent: kunstschilder en literator
Dichter van een achttal bundels poëzie, die getuigen van een diepe religiositeit verbonden met de opvatting dat de kunst, dus ook de poëzie, 'zich als tolk van de gemeenschappelijke ziel tot het volk' moet richten.
Redacteur van "Dietsche Warande en Belfort" (1918-1940); Beheerder en redacteur van "De pelgrim (1929-1931); Medestichter van "Volk", maandschrift voor Dietse Kunst en Kultuur (1935-1941)
Promotor was van het Vlaamse Volkstoneel en pelgrimdramaturg bij uitstek, dat de Pelgrim-idee vertolkt met zijn leesdrama's "De deemstering der zielen" en zeker "De Tragedie van God en Mens"
Het hoogtepunt in het oeuvre van Dirk Vansina vormen zijn essays en biografieën. Zijn werken over Pascal (1954), Hölderlin (1963) en Dostojewski (1964) kennen op dat moment in Vlaanderen hun gelijke niet. Een soort magnum opus is de biografie over zijn levenslange vriend Cyriel Verschaeve: "Verschaeve getuigt", dat in 1955 verschijnt in Deel I van Verschaeve's Verzameld Werk, en in 1957 als een zelfstandig boekwerk.
BIOGRAFIE
25 mei 1894: Dirk Vansina werd als Desiderius Vansina geboren te Antwerpen, in een kroostrijk gezin van 12 kinderen. Zijn moeder Maria Theresia van Goubergen hield een internationaal befaamd kunstborduurwerkatelier in de Keizerstraat te Antwerpen, dat gespecialiseerd was in liturgische gewaden, kerkvanen en later ook grote kunstvlaggen voor verenigingen.
Vansina studeerde handel in het Sint-Jan Berchmanscollege te Antwerpen, met de bedoeling om - gezien hij de enige zoon in het gezin was - het kunstborduurwerkatelier van zijn ouders over te nemen.
Bovendien moest hij tekenlessen volgen. Zo kwam hij terecht in het flamingantische milieu van Sam De Vriendt en diens vader 'ere-pelgrim' Juliaan, wat voor zijn verdere leven bepalend zou blijken te zijn.
Hij werd er klaargestoomd voor een opleiding schilderen aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten te Antwerpen in de klas van portretschilder baron Isidoor Opsomer (Lier).
Het werd zijn grote droom om een carrière uit te bouwen als kunstschilder, maar zijn ouders wilden er niet van horen. Dit conflict bracht de jonge Dirk op de rand van een zenuwinzinking en als compromis mocht hij in Brussel Oosterse en Egyptische kunst studeren.
Dat hij als tekenaar best wel talent had, mag blijken uit het feit dat hij op de wereldtentoonstelling van 1930 in Antwerpen een gouden medaille mee naar huis mocht nemen voor een reeks houtskooltekeningen.
1910: Debuteerde met enige gedichten in het vrijzinnige studentenweekblad "Carolus";
"Toen ik 15-16 jaar was, publiceerde ik - gelukkig onder schuilnaam - mijn eerste Rodenbachiaanse verzen over de maagd van Vlaanderen, enfin Rodenbach op zijn allerslechtst. Die verschenen in Carolus, het weekblad der vrijzinnige studenten waar ook Fritz Francken en Paul Kenis aan meewerkten." (J. Florquin, in: Ten huize van... 4 (1968))
WERELDOORLOG I
- Meldde zich als oorlogsvrijwilliger tijdens Wereldoorlog I.
- Hij leerde er kapelaan Cyriel Verschaeve kennen met wie hij een levenslange vriendschap sloot.
- Actief in Frontbeweging: nam het initiatief, daarin gesteund door Jozef Muls, alle literatoren aan het IJzerfront te verenigen rond een tijdschrift, waardoor "Nieuw Vlaanderen" ontstond (1918); Het eindoffensief maakte dat het project niet kon worden uitgevoerd.
NA DE EERSTE WERELDOORLOG
1918: Op vraag van Jules Persijn en M.E. Belpaire werd hij redacteur van "Dietsche Warande en Belfort", met de bedoeling het tijdschrift weer op de sporen te krijgen. Hij bleef redacteur tot aan de tweede wereldoorlog.
1918-1924: Het waren de jaren dat Vlaanderen bekend stond in de grote hernieuwing van het (katholiek) toneel en hij een promotor was van het Vlaamse Volkstoneel. Hij was medestichter en lid raad van beheer Vlaams Volkstoneel, maar om 'ethische en esthetische redenen' nam hij samen met Wies Moens in 1925 ontslag;
Vansina publiceert een vierdelig groots opgezet leesdrama "De deemstering der zielen" ('De Dood der Chimera's' (1923), 'Lenore' (1923), 'De Daad'(1924) en 'De Eeuwige Verlossing' (1924))
1920: De bundel "Louteringsvuur" - dat tijdens zijn oorlogsjaren was ontstaan - was, zoals zijn meeste werk, religieus geïnspireerd. Het is een poëzie die getuigt van een bezinning op het leven.
In J. Weisgerber en M. Rutten (redactie), Van Arm Vlaanderen tot De voorstad groeit. De opbloei van de Vlaamse literatuur van Teirlinck-Stijns tot L.P. Boon (1888-1946). Standaard Uitgeverij, Antwerpen 1988, is Prof.L. Gillet niet mals voor de poëzie van Vansina:
De poëzie van Dirk Vansina (1894-1967) is opgeschroefd, in de stijl van C. Verschaeve. Zoals uitgedrukt in Wat wij willen, het 'Ten geleide' bij het eerste nummer van De Pelgrim, wil zij haar wortels slaan in 'het vergoddelijkt leven der ziel in het rumoer der aarde'. (De Pelgrim, 1e jg., nr. 1)
De jonge frontsoldaat Vansina had uit de IJzerloopgraven een bundel poëzie meegebracht: Louteringsvuur (1920), zo mogelijk nog traditioneler van structuur en tammer van uitdrukking dan de oorlogsverzen van A. van Cauwelaert, D. Boens of F. de Pillecyn. Niet alleen waren deze dichters door de vijandelijkheden afgesneden van de beweging van het Duitse expressionisme, blijkbaar waren ook de vernieuwingen van Franse zijde, ingezet met Romains' unanimisme, ongemerkt aan de frontstrijders voorbijgegaan. Vansina's eerste poëzie wordt ontsierd door 'retorisch gezwam' en overspannen beeldspraak, door slecht verteerde, in elk geval niet verwerkte reminiscenties:
O laat mij lijden, God, met hen die smartlijk lijden.
Laat mij doorvoelen wat hun lijdend hart doorstond.
Laat mij met hen Uw dreigende einders tegenschrijden
Met twijfelmoede ziel en drooggeschroeide mond.
--D. Vansina, Vluchtelingen, II, in Scheppend Werk, I, Gooreind-Antwerpen z.j., blz. 13.
Of:
Mijn volk, daar uw nood mijn schoonheidsdroom kwam storen
Werd ik als één die uit de slaap ontwaakt.
--Ibidem, blz. 14.
1929-1931: Beheerder en redacteur "De pelgrim"; (over Het tijdschrift 'De Pelgrim', over De Pelgrimbeweging - Kerknet)
Leverde als pelgrimdramaturg het omvangrijkste werk, dat de Pelgrim-idee vertolkt: de tweede cyclus drama's 'De Tragedie van God en Mens' ('Adam', 'De Messias' en 'De Antichrist')
1931: 'Adam' werd in opgevoerd door de paters Augustijnen te Gent
1933-1935: Fragmenten uit deze trilogie werden voorgedragen door het kunstgezelschap 'Pogen' op zijn rondreizen, onder leiding van Jan Stalmans.
De dramatische kunst van Dirk Vansina schonk toondichter Theo de Joncker inspiratie voor twee partituren voor groot orkest (fragmenten uit 'De Messias' en 'Adam'), die door het orkest van het N.I.R. werden uitgezonden in 1938, 1939, 1940, 1944.
1930: Nam in Antwerpen de zaak van zijn ouders over.
1935: Medestichter van "Volk", maandschrift voor Dietse Kunst en Kultuur, dat in 1941 door de bezetter werd opgedoekt omwille van 'te nationalistisch' en medewerker E. van der Hallen stond bekend als 'te katholiek'.
Werkte een tijd in de zaak van zijn ouders tot hij verhuisde naar Gooreind, waar hij een steenbakkerij overnam.
1938: Publicatie van Het liederboek van Elckerlyc
We laten opnieuw Prof. Gillet aan het woord:
Een diepe religiositeit verbonden met de opvatting dat de kunst, dus ook de poëzie, 'zich als tolk van de gemeenschappelijke ziel tot het volk' moet richten, vindt haar neerslag in Het liederboek van Elckerlyc (1938). Een eigenaardig mengsel van cultuurromantiek en machtsdrang vindt uiting in een zin als: 'Aan de scheppende ziel van zijn dichters en den arm van zijn krijgers dankt een volk zijn bestaan'.
Stug en stroef rijmt Vansina in honderden verzen 'gemeenplaatsen' aan elkaar:
'Gemeenplaats / Al wat ik zal schrijven. / De aarde is oud / En mensen altijd mensen blijven'. Kreten en rijmen van het verdwaasde ik gaan er vooraf aan Liederen van groot verlangen, op hun beurt gevolgd door Geprevelde en gestamelde strofen van het bezonnen ik. Nogmaals mist Vansina hier de scheppingskracht om een overdaad aan gedachteninhoud tot dichtkunst om te vormen.
In latere bundels, Liederen van dwaas begeren (1943), Liefdes getijden (1950), Ontraadselde beelden (1951), slaagt Vansina er een enkele maal in, door meer soberheid en zelfbeperking, ook een juister aanslaan van het reëel menselijk gevoel, een bijna gaaf gedicht te schrijven, niet bedorven door grootspraak, opgestapelde eruditie, uitgestalde belezenheid en, bovenal, verbale ongebreideldheid.
Een zuivre sneeuwvlok het gedicht
Dat op mijn adem zweeft
En van mijn leven leeft.
Ofwel:
Dit is, naakt als een open hand
Het rijk-dooraderd waterland
Van greppels en kanalen.
WERELDOORLOG II: 1940-1945
Gedurende de tweede wereldoorlog weigerde hij in nationaalsocialistische cultuurorganisaties actief te worden.
1940: Filips van Chieti (1940) sluit aan bij de nationalistische rage die de geheroïseerde Gulden-Sporenera verheerlijkt maar mist zowel psychologisch als dramaturgisch en scenisch ver- en uitbeelding, terwijl zelfs de lectuur gehinderd wordt door het oratorische geweld van al deze Übermenschen. (Weisgerber p. 393)
1941: Bij het eerste jaar van W.O. II schreef Vansina weer dramatisch werk, de groots opgezette Bijbelse 'Sage van Kai-Roi', bevattende een 'Voorspel', 'Kaïn's dood' (1941), 'Schilo, het zwaard'(1941) en 'De Ark' (1942).
NA DE OORLOG
Zijn naoorlogse werken zijn van beduidend hogere kwaliteit.
1949: Erg bevriend als hij was met priester Cyriel Verschaeve, stond hij aan wiens sterfbed in Solbad Hall (Tirol).
1951: Met de bundel Ontraadselde Beelden versobert zijn stijl. Hij slaagt erin zichzelf te beperken tot de essentie en de opgestapelde eruditie en verbale ongebreideldheid achterwege te laten. Dat levert hier en daar een redelijk gaaf gedicht op.
Het hoogtepunt in het oeuvre van Dirk Vansina vormen zijn essays en biografieën.
Zijn werken over Pascal (1954), Hölderlin (1963) en Dostojewski (1964) kennen op dat moment in Vlaanderen hun gelijke niet. Vansina lukt het hier om diep in het werk en het wezen van de behandelde kunstenaar door te dringen. In de geest van zijn schilderkunst vat hij zijn geschreven portretten zo op dat de levende mens er uitkomt.
1956: Een soort magnum opus is de biografie over zijn vriend Cyriel Verschaeve: "Verschaeve getuigt", dat in 1955 verschijnt in Deel I van Verschaeve's Verzameld Werk.
Dirk Vansina was trouwens lid van het redactiecomité dat de uitgave van Verschaeve's Verzameld werk verzorgde. Hij zal voor twee delen de inhoud verzorgen:
1955: Toneelwerken door Cyriel Verschaeve, onder toezicht en met een inleiding.
1955: Poëzie van Cyriel Verschaeve, met inleiding en aantekeningen, alsook inleiding tot 'Uren bewondering'.
1959: Onder leiding van Dirk Vansina werd nog een poging ondernomen om de idee van de Pelgrim een nieuw elan te geven in een actiecomité voor de kristelijke waardigheid in de religieuze kunst. (KWRK). In een eerste nummer van een «seizoenenreeks» publiceerde Vansina: «Wat beoogt het aktiekomitee ter vrijwaring van de kristelijke waardigheid in de religieuze kunst?» Deze brochure werd gevolgd door drie andere: «De moderne kristelijke kunst» en «Kerkebouw» door P.J.A. Nuyensen «Kunst en Mystiek» door prof.dr. L. Reypens (1960).
1960: "De zoektocht van Elkerlyc" is zijn enige roman, waar echter ook tal van gedichten in voorkomen.
16 januari 1967: Dirk Vansina overleed te Leuven.
Het archief van Dirk Vansina bevindt zich in het KADOC te Leuven.
Als schilder behandelt hij voornamelijk religieuze thema's: zijn voorbeelden zijn de symbolisten en de prerafaëlieten, vandaar ook zijn voorliefde voor de allegorie, visionaire beeldspraak; Neo-impressionistische werken; Nam meermaals initiatief op het domein van de kunstnijverheid (vlaggen, steenbakkerij); Al met al zijn Vansina's verzen de vrucht van een hardnekkig misverstand omtrent het wezen van de poëzie. De miskenning van het elementair taalkundig vakmanschap ten bate van een opvatting volgens welke poëzie uitstorting van hart en geest is, zonder de eis te erkennen van een, zij het minimale, vormgeving, maakt van de uitgebreide verzenproduktie van Dirk Vansina het schoolvoorbeeld van ontspoorde poëzie.
BEKRONINGEN
1928 Prijs voor Literatuur van de provincie Antwerpen;
1930 Gouden Medaille voor Schilderkunst op de wereldtentoonstelling te Antwerpen voor zijn houtskooltekeningen;
1955 Prijs Scriptores Catholici voor zijn essay over Pascal;
1957 Eerste Cyriel Verschaeveprijs van het Jozef Lootensfonds voor zijn werk "Verschaeve getuigt" (1956);
1959 Treedt op in het "Aktiecomité ter vrijwaring van de christelijke waardigheid in de religieuze kunst";
1964 Ereteken van Ridder in de Kroonorde op de jaarvergadering van Kunstenaars voor de Jeugd.
GERAADPLEEGDE BRONNEN
Websites
- Dirk Vansina (schrijver) - Wikipedia
- Vansina, Dirk (1894-1967) - Odis
- Joos Florquin, 'Dirk Vansina Bredase Baan 759, Gooreind-Wuustwezel' In: Ten huize van... 4 (1968)
- M. Rutten en J. Weisgerber, 'B. De hoofdfiguren' In: Van Arm Vlaanderen tot De voorstad groeit (1988)
- Dirk Vansina - dbnl
BIBLIOGRAFIE
Woordje vooraf
Na het chronologisch overzicht vindt u een beknopt overzicht per genre.
De gegevens van deze bibliografie werden onder meer nagekeken bij
- Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience - Antwerpen.
- Koninklijke Bibliotheek van België - Brussel / Bibliothèque Royale de Belgique - Bruxelles
- Universiteitsbibliotheek Leuven.
- POEZIECENTRUM vzw- Gent
Chronologisch overzicht
Jaar Titel Fotogalerij Uitgeverij 1ste druk
1917 De kroon van doornen. Mystiek-symbolisch sinnespel. (poëzie)
1920 Louteringsvuur. Oorlogsverzen; Met eene aanteekening van den schrijver; Antwerpen: J.-E. Buschmann, drukker -59p.
1922 Cyriel Verschaeve. (brochure); Antwerpen: Uitgeversmij Kiliaan. -44p; Reeks: Verhandelingen van de Algemeene Katholieke Vlaamsche Hoogeschooluitbreiding, nr 8 van den 19n jaarg., Oct. 1922, nr 205 van de verzameling.
1923-1924 De deemstering der zielen. (cyclus van vier leesdrama's); 1ste cyclus van vier leesdrama's, waarin zijn gebundeld: "De dood der Chimera's" (1923), "Lenore" (1923), "De Daad" (1924), "De Eeuwige Verlossing" (1924).
1961: Definitieve versie bij De zilverberk te Gooreind als deel van Scheppend werk / Vansina, Dirk. - Gooreind, 1960, currens; vol. 2 -438p; Antwerpen: N. V. Het Vlaamsche Land / Bussum: N. V. v/h P. Brand. -4 volumes
1923 De dood der Chimera's. Toneelspel in drie bedrijven. (toneel: leesdrama); Eerste deel van de cyclus 'De deemstering der zielen'; Antwerpen: N. V. Het Vlaamsche Land / Bussum: N. V. v/h P. Brand. -118p.
1923 Lenore (toneel: leesdrama); Tweede deel van de cyclus 'De deemstering der zielen'; Antwerpen: N. V. Het Vlaamsche Land / Bussum: N. V. v/h P. Brand. -179p.
1924 De Daad. (toneel: leesdrama); Derde deel van de cyclus 'De deemstering der zielen'; Antwerpen: N. V. Het Vlaamsche Land / Bussum: N. V. v/h P. Brand. -158p.
1924 De eeuwige verlossing. (toneel: leesdrama); Vierde deel van de cyclus 'De deemstering der zielen'; Leuven: S.V. Vlaamsche Boekenhalle. -130p.
1927 Dostojewsky. (essay); 1965: Volledig herwerkte versie van dit essay werd opgenomen in Verzameld Werk, Essays Deel I Uitg. Zilverberk te Gooreind. -211p; Antwerpen: N. V. Leeslust / Eindhoven: N. V. Lecturis. -160p.
1927 Het boek der liefde. Liefdesgedichten. (poëzie); 1928: herdruk bij N.V. Leeslust, Antwerpen; Antwerpen: N.V. Leeslust / Eindhoven: N.V. Lecturis. -54p.
1929-1931 De tragedie van God en mens. (cyclus van 3 leesdrama's); 2de cyclus leesdrama's, hierin zijn gebundeld: "Adam" (1929), "De Messias" (1931), "De Antichrist" (erfzonde -en verlossingsthematiek, 1931); Antwerpen: N.V. Leeslust. - slechts 2 volumes uitgegeven.
1929 Adam, een dramatisch gedicht; Eerste deel van de tweede cyclus leesdrama's 'De tragedie van God en Mensch'.
De andere delen zijn : "De Messias" (1931), "De Antichrist" (erfzonde -en verlossingsthematiek, 1931); Antwerpen: N.V. Leeslust. -59p; Fragmenten hieruit werden op toneel uitgevoerd door "Pogen" (1931-1935) en NIR (1938-1944).
1931 De Messias. Dramatisch gedicht door Dirk Vansina; Tweede deel van 'De tragedie van God en Mensch'; Antwerpen: N.V. Leeslust. -69p.
1931 George Minne. (essay); 1965: Heruitgave in Verzameld Werk. Essays deel II Uitgeverij Zilverbek te Gooreind; In het Duitse tijdschrift "Kunst und Dekoration"
1935 Cyriel Verschaeve. (biografie); 1937: 2de druk bij uitgeverij Zeemeeuw, Brugge. -123p; 1944: 3de bijgewerkte uitgave bij uitgeverij Zeemeeuw, Brugge -140p; Brugge: Uitgeverij Zeemeeuw. -122p.
1938 Het liederboek van Elckerlyc (poëzie); Bevat de cycli: Inleiding (pp 5-14); Kreten en rymen van het verdwaasde ik (pp 15-88); Liederen van groot verlangen (pp 89-111); Geprevelde en gestamelde strophen van het bezonnen ik (pp 112-168); S.l., S.n., S.a. -169p.
1938 Geprevelde strophen, zijnde een onderdeel van het liederboek. (poëzie); Bevat de cycli: Aan Maria (pp 5-8); Gebeden onder het kruis (pp 9-16); eerste reeks (pp 17-30); Tweede reeks (pp 31-56); Derde reeks (pp 57 -62); Dit is een afzonderlijke uitgave van het laatste deel uit 'Het liederboek van Elckerlyc'; Antwerpen: Vlaamsche Boekcentrale, s.a. -63p.
1941-1942 Sage van Kai-Roi. (3de cyclus leesdrama's); De cyclus bevat drie volumes: "Kains dood"(1941), Schilo, het zwaard (1942), De Ark (1942); Brugge: Uitgeverij "Wiek op". -3 vol.
1941 Kaïn's dood. (leesdrama); Eerste deel van de cyclus Sage van Kai-Roi; Bevat: 'Voorspel' (pp. 9 -19) en 'Kaïn's dood' (pp. 21-102); De twee andere delen (afzonderlijk uitgegeven) zijn: "Schilo, het zwaard" (1942), "De Ark" (1942); Brugge: Uitgeverij "Wiek op". -102p; Colofon: Van dit boek werden gedrukt, benevens de gewone oplage, 5 exemplaren op Hollandsch papier "Van Gelder en zonen" - genummerd van I tot V
1941 Filips van Chieti. Treurspel met vlaams-nationale inslag. (toneel); 1964: Herwerkte versie in: Toneel. Scheppend werk / Vansina, Dirk. - De zilverberk, Gooreind; vol. 3 -363p.
1941 Het wezen der Kunst. (essay); 1965: Heruitgave in Verzameld Werk. Essays deel II Uitgeverij Zilverberk te Gooreind; Brugge: Uitgeverij "Wiek op". -48p.
1942 Schilo, het zwaard. (leesdrama); Tweede deel van de cyclus 'De Sage van Kai - Roi'; Brugge: Uitgeverij "Wiek op". -105p. Prijs: 24 fr; Colofon: Van dit boek werden gedrukt, benevens de gewone oplage, 5 exemplaren op Hollandsch papier "Van Gelder en zonen" - genummerd van I tot V
1942 De Ark. (leesdrama); Derde deel van de cyclus 'De Sage van Kai - Roi'; Brugge: Uitgeverij "Wiek op". -108p; Colofon: Van dit boek werden gedrukt, benevens de gewone oplage, 5 exemplaren op Hollandsch papier "Van Gelder en zonen" - genummerd van I tot V
1942 Albrecht Rodenbach. (bloemlezing); Ingeleid en samengesteld door Dirk Vansina; Omslagontwerp van Br. Max; Diest: Kunstuitgeverij "Pro Arte" P.V.B.A. -86p; Reeks: Keurbladzijden uit de Nederlandsche letterkunde. - Diest; vol. 21
Colofon: Dit is het 21e deel in de reeks Keurbladzijden uit de Nederlandsche Letterkunde" welke staat onder redaktie van Drs. Karel Vertommen. Deze reeks, samengesteld uit 36 deelen, verschijnt bij Kunstuitgeverij "Pro Arte" p.v.b;a. te Diest, onder leiding van Jos Philippen.
1942 Jules Persijn. (essay + bloemlezing); Ingeleid en samengesteld door Dirk Vansina; Omslag-ontwerp van Br. Max; Diest: Kunstuitgeverij "Pro Arte" P.V.B.A. -93p; Reeks: Keurbladzijden uit de Nederlandsche letterkunde. - Diest; vol. 23
Colofon: Dit is het 21e deel in de reeks Keurbladzijden uit de Nederlandsche Letterkunde" welke staat onder redaktie van Drs. Karel Vertommen. Deze reeks, samengesteld uit 36 deelen, verschijnt bij Kunstuitgeverij "Pro Arte" p.v.b.a. te Diest, onder leiding van Jos Philippen.
1943 Liederen van dwaas begeren. (poëzie); Brussel: Uitgeverij Steenlandt. -16p; Reeks: De Bladen voor de Poëzie. Jrg.7, nr.10 [eerste serie].
1943 Hölderlin. (essay); 1965: Heruitgave in Verzameld Werk. Essays deel II Uitgeverij Zilverberk te Gooreind; Brugge: Uitgave "Wiek op". -242p.
1943 Jan Van Puyenbroeck. (brochure); Uitgegeven in opdracht van "Volk en kunst" en den "Interprovincialen cultuurdienst"; Met 8 pagina's zwart-wit reproducties; Deze lezing werd gehouden ter gelegenheid van de opening der tentoonstelling gewijd aan het werk van Jan van Puyenbroeck op 23 januari 1943, ingericht door het Stadsbestuur van Antwerpen in het "Stedelijk Kunstsalon", Eiermarkt 43; Antwerpen: N.V. Standaard - Boekhandel. -29p; Reeks: Kunstenaars van heden
1943 Zij, die voor Vlaanderen vielen, helden-herdenking ter gelegenheid van de IJzer-bedevaart 1943 : scenario. Brussel: Verbond V. O. S, s. a. -15p.
1944 Cyriel Verschaeve. (biografie); Derde bijgewerkte heruitgave van 1935; Met portret van Verschaeve tegenover het titelblad; Foto in zijn werkkamer tussen p 64-65; 2 foto's tussen p 124-125; Brugge: Uitgeverij Zeemeeuw. -140p.
1949 De Vlaamse primitieven. (studie); Met 43 zwart-wit platen; Bandversiering: O. L. Vrouw met het kindje Jezus als miniaturist (Brugse school); Leuven: Davidsfonds. -206p; Reeks: Keurreeks van het Davidsfonds. vol. 42.
1950 Liefde's Getijden. (gedichtenbundel); Bevat: Eerste deel: I. Het meisje spreekt: dat gij eens komen zoudt; II. Mijn handen beven; Tweede deel: I. Gelieve, die drijvend gedreven; II. O zware strenge zuil; III. De moeder spreekt; IV Woorden van verinniging; Brugge: Uitgave Wiek op. -72p; Colofon: De bundel 'Liefde's getijden' werd in het voorjaar negentienhonderd vijftig gedrukt en voor de eerste maal uitgegeven door de uitgeverij "Wiek op" te Brugge en in haar opdracht gedrukt op de persen van de drukkerij Vonksteen te Langemark.
1951 Ontraadselde beelden (gedichtenbundel); Antwerpen: 'De Poorte'. -58p; Reekstitel: Privé-uitgaven
1954 Pascal. (studie); Omslagtekening door Paul Ausloos; 1965: Heruitgave in Vansina's Verzameld Werk. Essays deel I Uitgeverij Zilverberk te Gooreind; Antwerpen: Uitgeverij Sheed & Ward N.V. -264p; Er is ook een uitgave bij Brand nv te Bussum. -259p.
1956 Verschaeve getuigt. (biografie); Met portretfoto van Verschaeve tegenover het titelblad; De publicatie bevat 32 documentaire foto's; Dit is de zelfstandige editie het eerste deel van Verschaeve's Verzamelde Werken in 8 delen uitgegeven tussen 1955-1961 bij uitgeverij "Zeemeeuw"; Brugge: Uitgeverij "Zeemeeuw". -877p.
1958 De zoektocht van Elkerlyc. (roman); 1965: Heruitgave in Scheppend Werk Dirk Vansina Deel IV Uitgeverij Zilverberk te Gooreind; Gooreind: De zilverberk. -435p.
1960 Cyriel Verschaeve als beeldhouwer. (monografie); Brugge: Uitgave Wiek op. -62p.
1960 Wat beoogt het aktiekomitee ter vrijwaring van de kristelijke waardigheid in de religieuze kunst? (brochure) Antwerpen: Aktiekomitee K.W.R.K. -16p; Reeks: De seizoenen. - Antwerpen; vol. 1: 1
1961-1965 Verzameld scheppend werk en essays (6 dln); Nota 1: de delen zijn niet gedateerd. De publicatiedata zijn dus bij benadering; Nota 2: Een uitgebreide beschrijving vindt u na dit chronologisch overzicht; Gooreind: De zilverberk/ Antwerpen: Standaard Boekhandel.
1966 De liefde leeft. (poëzie - bloemlezing); Foto auteur: Foto Daniel, Oostrozebeke; Verantwoording: De verzen werden naar het behandelde thema ingedeeld. Ze werden afgedrukt naar de definitieve tekst zoals hij werd vastgelegd in: Scheppend werk en Essays. Behalve dan de gedichten op blz. 10, 12, 14, 44, 53, 65, 67, die werden ontnomen aan 'De zoektocht van Elckerlyc' en dit op blz. 11 dat uit de 'Deemstering der Zielen' (deel II) werd gelicht, zal men ze in Poëzie I terug vinden. Er werd geen dramatische poëzie opgenomen; Hasselt, Uitgeverij Heideland pvba. -77p; Reeks: Poëtisch erfdeel der Nederlanden nr 47
OVERZICHT VERZAMELD SCHEPPEND WERK EN ESSAYS (6 DELEN)
1961 Poëzie. - Deel I van Verzameld scheppend werk; Gooreind: De zilverberk / Antwerpen: Standaard Boekhandel. -425p.
1961 De deemstering der zielen. - Deel 2 van Verzameld scheppend werk; Gooreind: De zilverberk / Antwerpen: Standaard Boekhandel. -438p.
1964 Toneel. Scheppend werk. - Deel 3 van Verzameld scheppend werk; Gooreind: De zilverberk / Antwerpen: Standaard Boekhandel. -363p.
1965 Pascal. Dostojewski. Essays. - Deel 1 van Verzamelde essays; Bevat: Pascal (pp 7-319); Dostojewski (pp 327-531); Gooreind: De zilverberk / Antwerpen: Standaard Boekhandel. -531p.
1965 Hölderlin. Het wezen der kunst. George Minne. Essays. - Deel 2 van Verzamelde essays; Bevat: Hölderlin (pp 5-308); Het wezen der kunst (pp 309-366); George Minne (pp 367-372); Gooreind: De zilverberk / Antwerpen: Standaard Boekhandel. -375p.
1965 De zoektocht van Elckerlyc. - Deel 4 van Verzameld scheppend werk; Gooreind: De zilverberk / Antwerpen: Standaard Boekhandel. -435p; Colofon: Dit boekwerk werd gedrukt op de persen van Drukkerij Foreholte te Voorhout in opdracht van uitgeverij De Zilverberk te Gooreind.
BEKNOPT OVERZICHT PER GENRE
VERZEN
1917 De kroon van Doornen." Mystiek-symbolisch sinnespel.
1920 Louteringsvuur. Oorlogverzen.
1927 Het boek der liefde, 1928²
1938 Het liederboek van Elckerlyc.
1938 Geprevelde strophen, zijnde een onderdeel van het Liederboek.
1943 Liederen van dwaas begeren
1950 Liefde's getijden
1951 Ontraadselde beelden
LEESDRAMA'S EN TONEEL
"De Deemstering der Zielen." Drama, 4 Vol., 1922-1924.
- 1ste cyclus leesdrama's, hierin zijn gebundeld: "De dood der Chimera's"; "Lenore" ; "De Daad" ; "De Eeuwige Verlossing".
- In 1962 verscheen een herdruk in Scheppend Werk Deel II.
"De Tragedie van God en Mensch." 3 vol., 1929-1931.
- 2de cyclus leesdrama's, hierin zijn gebundeld: "Adam", "De Messias", "De Antichrist" (erfzonde -en verlossingsthematiek): fragmenten hieruit werden op toneel uitgevoerd door "Pogen" (1931-1935) en NIR (1938-1944).
- In 1964 verscheen een herdruk in Scheppend Werk, Deel III, met een herwerking van De Messias en een nieuwe versie van De Antichrist.
"Sage van Kai Roi." 3 vol. 1941-1942
- 3de cyclus leesdrama's, bestaat uit: "Kains dood", "Schilo, het zwaard", "De Ark"
- In 1961 verscheen een herdruk in Scheppend Werk, Deel I, Poëzie.
1941: "Filips van Chieti." Treurspel met Vlaams-nationale inslag.
- Een herschreven versie verscheen in 1964 in Scheppend Werk, Deel III, Toneel.
ROMAN
1960 De zoektocht van Elkerlyc, bevat een groot aantal gedichten
Eerste boek: De onvolwassen mens (pp.9-106)
Tweede boek: De tuchteloze mens. (pp.107-178)
Derde boek: Mens en medemens. (pp.179-300)
Vierde boek: Mens en godmens. (pp.301-427)
VERZAMELD WERK
Nam het initiatief tot een "Verzameld Werk" onder de titel "Scheppend Werk. Poëzie en Essays" (6 vol.), waartoe hij zijn drama's en gedichten herwerkt.
STUDIES EN ESSAYS
1922 Cyriel Verschaeve (brochure)
1924 Dostojewski (essay) Herwerkte versie in 1965 opgenomen in Verzamelde Werken Essays I)
1931 George Minne. In het Duitse tijdschrift "Kunst und Dekoration". In 1963 in Verzamelde Werken Essays II.
1935 Cyriel Verschaeve, (biografie) een tweede druk verscheen in 1937, een derde in 1944.
1941 Het wezen der Kunst.(essay) In 1963 in Verzamelde Werken Essays II.
1942 Hölderlin. Een herwerkte herdruk verscheen in 1963 Verzamelde Werken Essays II.
1943 Jan Van Puyenbroeck
1949 De Vlaamse Primitieven.
1955 Pascal. Een herdruk verscheen in 1965 in Essays I
1955 Verschaeve getuigt, in Deel I van Verschaeve verzameld werk. In 1956 verscheen een afzonderlijke publicatie.
1959 Verschaeve als beeldhouwer. (essay)
BROCHURES
1943 Zij, die voor Vlaanderen vielen, helden-herdenking ter gelegenheid van de IJzer-bedevaart 1943 : scenario.
1960 Wat beoogt het aktiekomitee ter vrijwaring van de kristelijke waardigheid in de religieuze kunst?
KEURBLADZIJDEN EN BLOEMLEZINGEN
1938 Poëzienummer van het tijdschrift Volk (in samenwerking met Karel Vertommen)
1942 Jules Persijn
1942 Albrecht Rodenbach
TEKSTUITGAVEN
1943 Jozef Muls' werk (Bloemlezing gepubliceerd ter gelegenheid van Muls 60ste verjaardag); Ingeleid door Jan Hallez en Dirk Vansina met een bibliographie door Rob. Roemans; Ontwerp bandversiering: Hooger Nationaal Instituut voor Architectuur en Sierkunsten; Diest: Kunstuitgeverij Pro Arte. -541p.
Colofon:
Dit boek werd samengesteld ter gelegenheid van den 60en verjaardag van Prof. Dr. Jozef Muls, als blijk van dank en waardeering voor de groote diensten welke hij aan ons volk bewees, door zijn rustelooze arbeid, zijn geschriften, lessen en voordrachten, zijn raad en leiding, alle uiting van zijn nobel hart en van zijn rijk talent.
Aan deze uitgave verleenden hunne medewerking:
Jan Hallez en Dirk Vansina, door het schrijven der inleidende studies en het samenstellen van de bloemlezing; R. Roemans, door het opmaken der bibliographie; het Hooger Nationaal Instituut voor Architectuur en Sierkunsten, door het ontwerpen van de bandversiering; de drukkerij De Vos-Van Kleef, Antwerpen, voor het verzorgen van den druk; Jos Philippen, Dir. Van "Pro Arte" door het waarenemen van de leiding dezer uitgave.
In 't jaar onzes Heeren MCMXLII
1954-1961 Cyriel Verschaeve Verzameld Werk (8 delen), als lid van het redactiecomité.
1955 Toneelwerken door Cyriel Verschaeve, onder toezicht en met een inleiding
1955 Poëzie van Cyriek Verschaeve, met inleiding en aantekeningen, alsook inleiding tot Uren bewondering.
[bron: https--schrijversgewijs.be/schrijvers/vansina-dirk]
Zoekertjesnummer: m2217660061
Populaire zoektermen
dirk braeckman in Boekendirk bracke in Boekendirk de wachter in Boekendirk bouts in Boekensanaya roman in Boekenblack dirk bracke in Boekendirk draulans in Boekendirk baksteen in Boekenvansina in Boekenturks fruit (roman) in Boekendirk verhofstadt in Boekenboeken dirk bracke in Boekenblack (dirk bracke) in Boekenzij en haar dirk bracke in Boekenroman harlequin in Boekenroman musso in Boekendirk de wachter in Psychologiedirk stallaert in Boekenroman danielle steel in Boekengolf 8 r lineroetfilter verwijderen in Auto-onderdelenlogitech g933vrachtwagen gesloten opbouwsnoecks 1981 in Boeken